Voorwoord

 

Beste lezer,

Verpakt in het reisbericht van een vriend beschrijft Leopold Engel in zijn boek: “Het dal van de gelukkigen”, een volk in het binnenste deel van Afrika. Het was in de tijd rond de jaarwisseling tijdens het leven van Leopold Engel, dat dit verslag geschreven werd. Het volk daar is met verbazingwekkende en natuurlijke bekwaamheden begaafd. Zij leven in vrede en in harmonie met de natuur. Dit tot een dusdanige maatstaf, dat dieren en de machten der natuur zich vrijwillig naar de wil van het volk voegen. In een harmonische en menselijke volkomenheid, zoals dit leven volgens de nieuwe berichten der heilige Openbaringen eens in de oertijd is geweest van de eerste mens (zie de Huishouding van God, deel 1). Vanwege het industriële tijdperk is dat leven echter verloren geraakt.

Daarom is dit boek ook een uitnodiging om de weg terug weer in zich te verenigen en de natuur en het goddelijke daarin te zoeken. Moge de geest van dit boek, waardige lezer, u op deze weg aanroeren.

 

In het boek “De twaalf uren” maakt Jezus even een opmerking over dit onbedorven, hoogstaand en goedaardig menselijk geslacht, dat als inleiding voor deze tekst moet dienen.

“Nu laten wij dit noordelijk deel van dit armoedige land zoals ook van heel Afrika, en daarom hier, zie het onbekende midden van dit land! Zie hier noch daar verstrooide hutten. Zie, dit land is groot en is rondom ingesloten door niet te beklimmen hoge bergen. Zie, dat is de enige plek van de aarde, waar zich nog een onbedorven en in hoge mate een goedmoedige mensenklasse is aan te treffen.

 

Zie, deze mensen bevinden zich allen nog in het innerlijk schouwen, en buiten een door Mij uitgezonden jongeling, de apostel Thomas, heeft nog geen vreemde voet dit land betreden. En zo is dit natuurlijk kleine volkje, dat spaarzaam slechts de hete omstreken bewoont, in Mijn pure zuivere leer, die tot op dit uur nog niet is verzwakt geworden. Dat is tegelijk het enige kleine toegevoegde punt, dat de aarde nog verbind met Mijn hemel. En onthoud, wat IK jullie nu zal zeggen: wanneer een brutale voet dit heiligdom hebzuchtig zal betreden, wil IK Mijn fakkel over de aarde slingeren”.


INLEIDING

 

Van oudsher heeft het slechts tot in de kleinere delen van het bekende aarddeel Afrika de weetgierigheid van onderzoekers aangespoord. In het binnenste deel, dat hardnekkig door allerhande uitwendige hindernissen een twijfelachtige civilisatie verbergt, bevat het nog vele onbekende wonderen. De eerste berichten klonken als sprookjes, totdat hun voortbestaan door herhaalde berichten werd bevestigd. Zo is bijvoorbeeld het bestaan van dwergvolken lang in twijfel getrokken, maar is het uiteindelijk bewaarheid geworden.

 

Onderzoekers, gedreven door roemzucht, eerzucht en hebzucht, na een gemakkelijk verwerven van schatten uit de natuur, waren uitgerust met gezelschappen onder hoogdravende frasen om een cultuur en christelijke religie te verbreiden en zo afhankelijke heidenen te beleren en te verlossen.

Ze werden pionieren van de wetenschap en van het mensdom genoemd; ze dwongen vaak met grote stoutmoedigheid, wat leidde tot goudkoorts en heerszucht, zelfs bij echtparen, tot in vreemde en onbekende omgevingen.

Zover dit donkere aarddeel ook al werd ontworteld, het sloot zijn binnenste nog star en duister af voor indringers. In de binnenste gebieden bevonden zich geweldige bergmassa’s als onverbiddelijke afbakeningen. Nog geen Europese voet had deze geweldige bergketens van dit inwendige deel overschreden, die de inboorlingen schichtig meden, omdat sterke geesten daar moesten huizen en indringers onmogelijk maken en degenen met een zekere dood bedreigen, die hun vrede verstoren.

Ook tot in Europa deden sommige geruchten over dit gebergte de ronde, zodat enkele onderzoekers geprikkeld werden om de omgeving van dit zwarte aarddeel te bezoeken. Maar nooit zou een inboorling zich bereid verklaren zich als gids hiervoor te laten uitlenen, zodra het betekende om omgeven te worden door sneeuw en wolkenmassa’s met geheimzinnige grotten als doel. Ja, ze zouden zich met alle geweld tegen zulke ondernemingen verzetten uit vrees voor wraak van de beschermende machtige geesten.

 

Het lijkt bijna alsof juist in het hart van Afrika de sprookjeswereld daar op de vlucht geslagen is voor de nieuwsgierige civilisatie en zich verschanst heeft voor de nuchtere, gemelijke, poëzieloze alledaagsheid om met hun vervuilde handen de kleurrijke, bonte, glinsterende vlinders te vangen en deze van hun prachtige vleugelstoffen te beroven en zich bezig te houden met plagerige spelen in de gouden zonnestralen.

 

-.-.-.-.-.-.-.-.-.

 


Wetenschappelijke twistgesprekken

 

Ik bezat een vriend met voortreffelijke karaktereigenschappen. Hij was rijk, onafhankelijk en zeer liefdadig. Hij gold echter over het algemeen als een zonderling. Het publieke en gezelschapsleven interesseerde hem minder. Zo vermeed hij om vaak onder de mensen te komen en permitteerde zich hoogstens om bij mensen op bezoek te gaan uit strikte beleefdheid, in zover de situatie dat vereiste.

Zijn grootste amusement was reizen, waar hij zich rijkelijk aan wijdde, zodat hij steeds drie vierde van een jaar in vreemde landen doorbracht. Hij was één van de buitengewone kenners, die met plezier wist te reizen en om heel weldoordacht en georiënteerd zijn reis te beginnen, echter niet zomaar om alleen te kunnen zeggen, ik was daar.

 

Hij bestudeerde eerst thuis theoretisch de beoogde reis om vervolgens praktisch door niets uit het evenwicht te kunnen worden gebracht. Het reizen had voor hem als doel om zijn kennis te verbreiden en omdat hij gewoon was met het oog van de geest alle dingen te bekijken, verzamelde hij niet alleen een rijke schat aan ervaringen, maar onderging hij ook innerlijke genietingen, waarvan de meeste reizigers geen flauw idee hebben.

Hij had het op deze manier bijna vijftien jaar bedreven, als hij mij op een dag met de tijding verraste. Hij maakte zich gereed om het binnenste deel van Afrika te doordringen. Hij reisde  daar ook werkelijk naar toe en keerde zongebrand na verloop van een jaar, maar in goede toestand, terug.

 

Er was een grote verandering met hem gebeurd. De anders mensenschuwe, zwijgzame man zocht nu meer gezelschap op dan vroeger en zocht een kring van mannen om zich heen te verzamelen, die tot de coryfeeën der wetenschappers telden. Hij gaf gezelschapsavonden met een speciale voorliefde voor religieuze en sociale vragen die dan door hem ter sprake gebracht werden en hij probeerde zo de mening van zijn gasten daarover te onderzoeken. Er ontstonden daar soms zeer interessante wetenschappelijk twistgesprekken, want, zoals al gezegd, bestonden alle gasten uit vooraanstaande geestelijke mannen, die de presentatoren der wetenschap waren en wier oordeel als toonaangevend van die tijd gezien konden worden.

 

Bij mijn vriend ontdekte ik een voorheen niet aanwezige neiging tot opponeren, weliswaar een zeer geestrijke, maar ook vaak met een wat mystieke wereldbeschouwing, die vaak een hoofdschudden van zijn omgeving deed oproepen. Er lag een trekje van dweperij in zijn redevoering, die opvallend en bij enigen van zijn naaste vrienden bezorgdheid opriep. Zijn vroegere weldadige manier van uiting ontaarde in verspilling. Men hoorde hoe hij arme mensen op een manier ondersteunde, die zijn eigen ondergang moest veroorzaken, zodat zijn familie op de gedachte kwam hem onder curatele te laten stellen. Een zodanige poging mislukte echter, omdat hij alleen in mindere mate vervreemde familie bezat en die daardoor, omdat hij zijn vermogen verkwistte, op geen enkele manier dus bekort konden worden. De enige benadeelde was hij alleen zelf; naaste familie bezat hij niet meer.

 

Dezelfde gedreven familie, tot wie hij steeds goedmoedig lachte, werd op zekere dag verrast door een uitnodiging, waarin hij haar verzocht om te komen op een grote gezelschapsavond – en begerig volgde zij deze. In de grote ruimte van zijn eigen huis bevond zich nu een talrijk gezelschap, bestaande uit diverse mannen der wetenschap, die al vaker genoten hadden van zijn gastvrijheid en steeds zijn uitnodigingen graag volgden. De vijandelijke en geldbezorgde familie werd door mijn vriend met vriendelijkheid ontvangen en hij liet die pijnlijke situaties niet helemaal blijken. Hij deed alsof er nooit iets was voorgevallen. Een schitterende maaltijd stond gereed en al spoedig was er een levendige geestrijke conversatie op gang gebracht, waarbij mijn vriend, zoals gewoonlijk, in het middelpunt stond. Er werd over de successen van de wetenschap gesproken en een professor in de fysica zong enthousiast een lofhymne op de inspirerende eigenschappen van de menselijke geest.

 

 “De mens”, zo zei hij, “is in feite heerser over de natuur. Alle krachten zijn aan hem onderdanig. We hebben de afstand en de tijd van stoom en elektriciteit overwonnen, we vliegen over de aardbodem met windzeilen, schrijven en spreken van de ene naar de andere stad, ondanks de verste afstand. Het zal niet lang meer duren en we doen net als de vogels en vliegen heen en weer in de lucht om de zuivere ether in te ademen. De vliegmachine is geen verbeelding meer; ze komt steeds dichter bij de realiteit. Daarom leeft de menselijke geest. Hij heeft het fantastisch ver gebracht, hij heeft de natuur overwonnen en is hun heer geworden.”

 

Van alle kanten uitte zich een blijmoedige instemming op deze woorden van de spreker en vrolijk rinkelende glazen bekrachtigden de waarheid van deze uitspraak. Met zijn rustige duidelijke stem sprak mijn vriend nu het volgende: “Professor, u hebt helemaal gelijk om de scherpzinnigheid van de mens zo te prijzen, die veel fantastisch heeft voortgebracht; ik heb begrip daarvoor hoe nuttig deze uitvindingen zijn. Enkele dagen geleden bezocht ik bijvoorbeeld een arme, zieke weduwe. Ik trof haar aan in de grootste opwinding en angst. Van haar enige zoon, die zij onder protest naar zee heeft laten gaan, was intussen lange tijd geen tijding meer binnengekomen en nu las zij in het scheepsbericht, dat het schip, op welke haar zoon voer, aan de kust van Brazilië is gestrand. Een deel van de bemanning was nog gered geworden en  bevond zich in Rio, het reisdoel van dit vergane schip. Leeft nu haar zoon? Bevindt hij zich onder de geredden? Deze kwellende vragen bestormden het aarzelende moederhart. Ik haastte mij naar een telegraafkantoor, gaf een telegram op aan het Duitse consulaat in Rio en kon al na enkele uren de kwelling van de aarzelende verdrijven, want haar zoon leefde en had zichzelf op het consult gemeld. Dit wonder bewerkte de telegraaf. Het kostte slechts circa vijftig Mark, dat beetje heen en weer telegraferen. De weduwe kon vanzelfsprekend een dergelijk bedrag niet opbrengen. Ze leeft van zulk bedrag meer dan een maand. Maar toch is deze uitvinding prachtig, die de afstand doet overwinnen, ook wanneer ze slechts voor de geringe minderheid bestaat, die het kan betalen. Evenzo gemakkelijk is de stadstelefoon. De hele inrichting kost jaarlijks slechts 90 Mark, een kleinigheid voor degene die het heeft; wie het niet heeft, nu die kan persoonlijk heen en weer rennen. Hij mag dan leren om meer geld te verdienen, waarmee de zegeningen der wetenschap hem toegankelijk worden.

 

U lijkt mij verbaasd en vraagt zich af, wat ik eigenlijk met mijn woorden beoog. Nu, ik als mens vraag mij vaak af wat de hoogste verfijndheid van de menselijke geest, waarmee hij de natuurgeheimen afluistert voor nut heeft, wanneer diens voordeel steeds maar onder de geboden staat van mensen met geld. Heeft niet iedereen recht op datgene, wat wij cultuur noemen? Hoe komt de mens daartoe zich op te splitsen in datgene, dat alleen wij genieten, en zulke die voor de genieters werken; deze echter worden nu bovendien van elk genot uitgesloten?“Maar dat is toch erg gemakkelijk,” viel een raadsman van justitie (de belangrijkste jurist van de stad) hem in de rede. “De maatschappelijke klasse vereist voorwaardelijk dan eens hoog en laag of rijk en arm. Zolang dat, wat wij maatschappij noemen, bestaat, zo is het geweest en zal het zo zijn. Het voortbestaan van de maatschappij regelt zich naar hun wetten, tot bescherming van geërfde en verworven rechten. Wie daarvan geniet heeft of zelf of door zijn voorouders eens een werk gepresteerd, dat hem de aangevochten rechten verschaft. Door erfenis verkregen recht is echter evenzo onaantastbaar alsook zelfs het verworvene. Op dit instituut berust onze moderne maatschappij, waar de rechter wel rekening mee dient te houden. Aan deze wetten mogen wij niet tornen, omdat…..”

“Omdat anders het zelfverheerlijkte recht van vererving en uitbuitende verwerving te gronde gaat, is dat niet zo, heer raadsman van justitie,” viel mijn vriend, die wij Kristjan willen noemen, in en voer dus voort: “Nu, ik bedoel, wanneer in betrekking tot de maatschappij, dat dus een hoop van machtsbekleders van persoonlijkheden heeft en het mensdom werd vastgelegd, zo hebben we noch een wet noch enige rechtspraak nodig, want beiden zijn al in de mens aanwezig en hoeft niet eerst door de kneepkunst van beide rechten geleerd te worden.

De mens voelt zeker wel aan wat juist of onjuist is, want de goddelijke waarheid in het mensenhart laat zich niet doodslaan. Ze verheft steeds weer haar hoofd met afgrijzen van de zogenaamde ‘maatschappij’, die evenwel alles van haar te vrezen heeft, namelijk het ontrukken van het egoďstische genot, de begrenzing van de traagheid en het einde van de werkloze verdienste. De werkloze verdienste is de ideaalste wens van de huidige cultuurmens met mogelijke vermijding van lichamelijke arbeid als hoogste doel van ons stoomtijdperk; beide veroorzaken aan de ene kant uitbuiting van de medemens, anderzijds uitbuiting van de natuurkrachten, om zo te komen tot het bouwen van zinvolle machines.

Het is duidelijk, dat deze principes naar een afgrond moeten leiden, omdat de eenzijdige ontwikkeling van de mens, alleen maar voert naar de hoogst mogelijke volkomenheid van het aardse genot en daarbij alle inachtneming van zijn inwonende hogere geest verdringt, de morele grondslag van zijn menselijk bewustzijn ondermijnt en de doelstelling van zijn leven vervalst, wat hem steeds meer van God afbrengt in plaats van naar Hem toeleidt.”

 

Een zalvende stem, die van een kerkbeheerder, die klaarblijkelijk de redevoering van mijn vriend erg afkeurde, verhief zich nu uit het gemompel van het gezelschap.

“Beste vriend, de kerk, die deel uitmaakt van mij en die ik als geringe verdienste in mijn bezit heb, heeft nog altijd de moeite gedaan om de mens naar God te leiden. We hebben steeds gezocht in de tijd van misdaad, waar ongeloof en genotzucht heersen, de mens naar zijn ware doel te leiden.”

“U zult mij dankbaar zijn om mij uit te leggen, waarin u dit doel op vestigt, heer de directeur,” vraagde mijn vriend. “Nu, om zalig te worden!” was het antwoord van de kerkbeheerder.

 

“En waarin bestaat deze zaligheid? Hoe wordt men zalig?” vraagde Kristjan verder. Een bestraffende blik viel op mijn en dus zo vragende en wat spottende doorschouwende vriend. De kerkbeheerder: “Bent u nu al uw schooltijd vergeten? Elk kind kan u deze vraag beantwoorden.” Kristjan: “Ik wil dit antwoord echter niet van kinderen, maar van mannen horen”, en herhaalde zijn vraag, hoe men zalig wordt. De kerkbeheerder: “Daardoor, dat men de wil van God vervult.” Kristjan: “En wat is dan nu de wil van God?” De kerkbeheerder: “Ongetwijfeld de leer van Christus: heb God lief boven alles en je naaste als jezelf!”

 

“U deelt volledig mijn mening, mijn waarde heer,” riep mijn vriend Kristjan op spottende toon, “maar hoe vervult dan de wereld deze zo hoogst eenvoudige grootse leer. Bijvoorbeeld u, mijnheer adviseur van justitie, naast al uw heren collega’s, leeft u toch in ieder geval slechts van de niet-liefde, van de haat, van de strijdzucht van uw naasten. Hoe meer het u lukt, om door kranige verdediging de schuldige kwijtschelding te bemiddelen en door meedogenloos op te treden in de zogenaamde interesse van uw klant deze voordelen te verschaffen, hoe hoger uw roem en eer toenemen. Hoe kraniger, dat wil zeggen liefdelozer en meedogenlozer, hoe beter voor uw schatkist.”

 

“Ik moet u toch dringend verzoeken, mij en mijn niveau niet vanuit dit standpunt te bekijken,” reageerde de justitiële persoon scherp.

Kristjan: ”Een en ander zal echter wel niet helemaal met de waarheid overeenstemmen. Ik zeg dit op het gevaar af mij aan een justitieel mondeling vergrijp schuldig te maken.” Overigens is het met de zo veel geroemde wetenschap niet anders gesteld. Niet uit liefde voor de naaste, maar enkel en alleen voor het egoďsme worden de uitvindingen uitgebuit. Niet de gemeenschap, maar aan de voorrang verleende kliek en het kapitaal, komen de prikkels der wetenschap vandaag de dag ten goede. Het octrooiwezen, voor de zogenaamde bescherming van het geestelijk eigendom, is hiervoor een duidelijk bewijs.

 

In de huidige tijd van de wederkerige plundering zijn uiteindelijk deze wetten nodig geworden, omdat de mens eraan gewend is zich niet als naaste, maar als rover te zien, waar de een voor de ander steeds op zijn hoede moet zijn met een geladen pistool. Uitkomst moet hier  gecreëerd worden, daarover is men het eens – maar hoe? Een beetje door de kerk?

Deze zou het nauwelijks graag willen, want in de theologie looft natuurlijk ieder de voortreffelijkheid van de Christusleer, in de praktijk echter is ze een overwonnen standpunt. De kerken zijn al lang niet meer een verzamelpunt van vrome aandacht, toch zitten de kerken zondags nog behoorlijk vol. Zoals elk fatsoenlijk mens minstens op zaterdagavond een bad neemt, zo zal ook zondags de mens een geestelijke, vluchtige wasbeurt ondergaan.

Voor de momenten en in het gunstigste geval, duikt hij in het water van geestelijke gevoelens, maar meestal stroomt elke indruk weg van de ongevoelige ziel. In de week daarop wordt er op oude wijze onbekommerd op los geleefd. Het kerkbezoek is een vorm en modezaak geworden. Afgezien daarvan is de waarheid ook daar niet altijd te vinden.

 

Weer verhief zich de stem van de kerkbeheerder: “U schijnt vandaag in een zeer slecht humeur te zijn. Wanneer de kerk niet de waarheid biedt, waar vindt men deze dan?” “Waar?” viel mijn vriend (Kristjan) levendig in. “De waarheid heeft zich daarheen teruggetrokken, waar vandaag de dag overigens enkelen haar vermoeden. In het hart van de mensen sluimert de waarheid en wee degene, die haar stem verstikt.

Er komt voor ieder mens een tijd, waar alle lasten der ijdelheid, de eerzucht en de leugen, het geweld van dezen niet kunnen verhinderen aan een luid (innerlijk) spreken, waar ze dan als vreselijke rechter verschijnt, die de daden van de mensen afweegt tegen de allen bekende goddelijke wet der naastenliefde. De mens heeft zich met zijn aardse leven nog niet uitgeleefd. – U lacht, mijne heren – over de gedachte aan een bestraffende en belonende geestelijke wereld – nu, we zullen zien, wie vandaag over vijftig jaar, dus op een dag, waar wel niemand meer van ons lijfelijk onze aarde bewoont, het beste lacht. U, die u meestal het geestelijke rijk als een sprookje ziet, of ik, die van een verder leven na de dood overtuigd ben.”

 

“Mijn beste vriend,” zegt op overpeinzende toon een beroemde dokter, “uw geestdrift is erg mooi, maar waar moet in het lichaam dit merkwaardige ding, dat daar voortleeft, dan verborgen zijn? De levensfunctie van de mens, die afhangt van de voeding en van de bloedsomloop, is een zo volledig materieel product van de vegetatieve goedige moeder natuur, zoals elk ander ding. Het lichaam heeft zijn begin, zijn bloei- en vervalperiode en ten slotte het einde. De zogenaamde ‘ziel’ verklaart zich zeer wel uit de hieruit resulterende krachten. Op geen enkele manier hebben we de onbewijsbare fantasie nodig om terug te grijpen op afgeleefde sprookjes en verklaringen voor het zogenaamde zielenleven te vinden.”

 

Kristjan: “En omdat de wetenschap, wier vertegenwoordiger u bent, heer dokter, ons zegt, dat er geen ziel bestaat. Maar de wetenschap heeft toch gelijk, want ze bewijst immers alles haarscherp, vaak ook door hypothesen, die van ons meer geloof verlangen, dan de oud-Bijbelse wonderverhalen. Zo is het ook waar en bijgevolg hebben we ook geen zielenzorg nodig, geen godsdienst, geen moraal, maar wel het recht van de sterkere, en we openen hiermee voor de dierlijk neigende mens alle deuren met al haar lusten en de onbeperkte bevoegdheid.

Juist uit de geneeskunde zijn door de loochening van de zielenmens en de vergoddelijking van de diermens beweringen ontstaan, die spotten met de zedelijkheid en het individu door de verantwoordelijkheid voor zijn daden zoeken vrij te spreken.

Wat moeten wij ons dan ook met zulke futiliteiten zoals moraal, zeden, edel zelfbewustzijn en streven plagen, wanneer elke grondslag ontbreekt om de mens als iets anders te zien dan als slechts een hoog georganiseerd dier?

Veredeld wordt de mens eerst door het bewustzijn van zijn edele afstamming, het weten dat deze korte aardeperiode slechts de voorschool is van een hoger, beter leven en dat zijn tijdelijk leven de grondslag, het begin is, waarop elk hoger leven zich opbouwt.

Waarlijk, dit aardse bestaan loont zich niet de moeite, wanneer diens inhoudelijkheid dat ene alles was.”

 

“Als voor het tegendeel maar een duidelijk bewijs bestond,” zuchtte een belangrijk industriële persoon, die door zijn weldadigheid bekend was, “hoe graag men moeite moet doen om zich daar een schat in de hemel te verwerven.”

“Ik heb dit bewijs,” antwoordde mijn vriend Kristjan rustig. Van alle kanten klonk: “werkelijk?” in elk vormgeluid van twijfel, spot, verbazing, waarop dan de uitnodiging volgde om dit bewijs prijs te geven. Hij kwam dit verzoek na door een vertelling, die ik mij woordelijk heb gemerkt.


Kristjan begint met zijn vertelling

 

“Natuurlijk heb ik dit bewijs van een beter geestelijk, hoger bestaansleven slechts alleen voor mij alleen, want wat ik daarover te vertellen heb, zijn belevenissen,  die door u misschien als een verhaal uit ‘duizend en één nacht’ worden aangezien en voor u niet bewijskrachtig mogen zijn, voor het geval mijn geloofwaardigheid niet onbetwistbaar in uw ogen staat.

Zelfs als ik vermoed, dat dit laatste niet het geval is, zo moet u toch alles horen, omdat ik een getuigenis van datgene wil geven, wat mijn handelwijze in de laatste tijd heeft beďnvloed, waarom ik zelfs met de rechtbanken in nauwe betrekking kwam en met de zegeningen van het curatele rechtsgeding bekend werd!”

 

Hij boog zich bij deze woorden lichtjes naar zijn wat verlegen toeschouwende familie en ging nu dan verder: “Als ik gedurende meer dan een jaar een onderzoeksreis ondernam naar Afrika, gebeurde dit enkel en alleen omdat ik hoopte uit deze reis voordelen te behalen voor mijn innerlijke mens. De grootsheid van de onbekende, binnenlandse Afrikaanse natuur lokte mij. Verder wilde ik nog de werken van God in haar bestuderen, wilde ik deze wetten doorgronden om zo mijn inzicht te verrijken, die ik vervolgens mijn broeders niet wilde onthouden. Ik vreesde mij niet voor de inboorlingen, toch wist ik, dat deze onschuldiger zijn dan over het algemeen wordt uitgeroepen en dat hun zogenaamde wildheid en wraakzucht meer een vrucht is van het weergaloze, onwaardige optreden van de Europeaan, dan een aangeboren wreedheid, ook indien niet kan worden ontkend, dat hun begrippen over leven en dood, menselijkheid en menselijke waardigheid anderen zijn dan de onzen.

Daarmee wil ik niet zeggen slechter, want een kannibaal die zijn vijand doodslaat en opeet, handelt toch soms nog menselijker dan een geciviliseerde Europeaan, die voor zijn vijand listige valstrikken legt, hem door middel van wetten vervolgt, hem ruďneert en langzaam naar de dood opjaagt, waardoor hij in vertwijfeling eindigt. De wilden houden van het beknopte, wij van het langzame en kwellende, en van onze zogenaamde eerder meer genoegdoening en bevrediging gevende manier van optreden.”


Belevenissen in het Maangebergte

 

De zoektocht

 

“Mij lokte het fabelachtige maangebergte van een nog niet onderzocht alpenketengebied, dat de zetel is van sprookjesachtige berichten.“

Het lukte mij met mijn expeditie tot daarheen door te dringen, zonder dat ik al te grote problemen had te overwinnen. Ik had echter niet de mogelijkheid noch mijn meegenomen mensen van de kust, noch de daar verblijvende inboorlingen te bewegen om met mij verder door te dringen en elk topje te beklimmen, dat een groot geheim leek te verbergen en dat tot doorgronding van mijn weetgierigheid aanspoorde. De inboorlingen lichtten mij in, dat op en achter iedere berg machtige geesten huisden, die het hen grimmig zouden vergelden, voor het geval ik niet van mijn ondernemen zou afzien. Ze wisten veel over de daar aanwezige demonen te vertellen, zoals dat ze vriendelijk waren, zolang hun rust niet verstoord werd, maar dat ze in het andere geval een indringer zeker met de  dood zouden bestraffen.

 

Dat alles motiveerde mij slechts nog meer. Elke hoogte leek mij een doel te zijn, nadat een bijna onverklaarbaar, vurig verlangen bezit nam van mij, dat ik onmogelijk kon weerstaan. Ik besloot, in geval het moest, alleen door te dringen. Alles was tevergeefs afgeraden. Ik beval mijn mensen hier hun kamp op te slaan en mijn terugkeer af te wachten en poogde de opgewonden inboorlingen gerust te stellen door hen te beloven de geesten met mijn leven zelf te verzoenen, voor het geval ze op mij toornig werden.

 

Zo begaf ik mij op weg. Na een moeilijke voettocht bereikte ik de voet van de berg en begon met de beklimming. De grootsheid van de natuur overweldigde mij. Majestueuze rust lag overal verbreid. Er was geen levend wezen te zien. Zelfs geen gevleugeld volk was zichtbaar. Ik steeg rustig de berg op. Over rotsen, door struikgewas en grassen, door bosstreken en verdere weiden klauterde ik de hoogte op en kwam langzaam, maar toch zeker mijn doel steeds dichterbij.

Niets liet zich van deze geesten zien, geen boosaardige krachten bedreigden mij, overal heerste er een diepe geheimzinnige stilte. De eenzaamheid van de majestueuze natuur van God wekte in mij de aandacht op, die geen mens door enig gevoel in zulk een toestand zal kunnen weerstaan. Het is als sprak de geest van God tot mij met een zacht fluisteren. “Zie daar Mijn werken, bewonder Mijn almacht, maar houdt van Mij, dat is alles wat Ik van je verlang, en Ik zal het je duizendvoudig vergelden.”

 

Ik had ongeveer de helft van mijn weg afgelegd  en rustte uit op een rotsblok vanwege de moeilijke wandeling, en de ogen dwaalden naar het onder mij liggende, heerlijke tropenlandschap. Plotseling overkwam mij een eigenaardig gevoel alsof ik niet meer alleen was en geobserveerd werd. Onwillekeurig pakte ik mijn geweer steviger, dat geladen in mijn armen rustte en mijn blik richtte zich op dat wat mij als een geheimzinnige magneet  tot zich trok. Ik kon het beklemmende gevoel van geobserveerd zijn niet loslaten, verliet mijn plaats en begon direct de bergtop te beklimmen.

Met grote inspanning en alle vermoeidheid uitdagend, vervolgde ik mijn moeizaam ondernemen, tot ik eindelijk voor mij een soort bergterras zag, dat een welkome rustplaats beloofde. Met mijn geweer over de schouders hangend, de provisietas aan de zijkant en met aan beide handen een polsstok, die ik als bergstok gebruikte, had ik er alleen maar oog voor  om voor mijn voeten een steunpunt te zoeken en lette ik er niet op dat er boven mij in de hoogte zich iets afspeelde.

 

Dan viel een schaduw op mijn weg en opkijkend bemerkte ik aan de rand van het rotsterras, waar ik op afging, een jong mens, wiens uiterlijk mij verbaasd deed opkijken. Zo had ik mij in mijn fantasie altijd al de jonge Jacob voorgesteld, als hij de schapen van Laban weidde.

Vriendelijk kijkend reikte hij mij de hand om mijn omhoogklimmen te vergemakkelijken, maar deze heldere blik had zulk een magische aantrekkingskracht, dat ik meende mij nooit meer van deze ogen te kunnen afwenden.

Voor mij zag ik een jongeling van ongetwijfeld arische afstamming, met een gebruinde huidskleur, met zwarte, korte luikende haren en de edelste gestalte, gekleed als de herder van de oudheid, met korte tunica en sandalen aan de voeten.

Mijn verbaasde blik keurde deze zo onverwacht opduikende jongeman, doch ik greep ter harte zijn uitgestoken hand en zwalkte mij met één sprong omhoog tot het bergterras naast hem.

 

“Welkom vreemdeling,” sprak hij mij aan met aangename stem in mijn moedertaal. Was ik voorheen verbaasd geweest, mijn verbijstering was nu gewoonweg grenzeloos, hier in deze wildernis het geluid van mijn taal te horen. Haastig vroeg ik hem, wie hij was. De jongeling lachte en zei: “Rust eerst wat uit. We hebben nog een verre weg te gaan.” Hij wees naar een ogenschijnlijk diepe grot, die zich vertoonde in de rots waarvan diens binnenste koeling bescherming voor de gloeiende zon bood. Graag voldeed ik aan de uitnodiging, strekte mij op het droge weke zand, dat de bodem van de grot bedekte en bekeek nieuwsgierig de jongen, die nu bij de ingang stond en opmerkzaam naar de vlakte keek zonder zich verder om mij te bekommeren.

De voettocht had mij hongerig en dorstig gemaakt. Ik greep daarom naar de versterkende voeding in de proviandtas en nodigde de raadselachtige onbekende uit om deel te nemen aan mijn maaltijd. Hij bedankte mij vriendelijk en keek lachend naar de manier waarop ik me haastig aan mijn voorraad te goed deed.

 

Ik gedroeg mij langere tijd stilzwijgend; ik kende immers de gebruiken  van de inboorlingen  al te zeer. Zij stellen het daar op prijs dat een nieuwe kennismaking niet ingeleid mag worden door veel vragen, maar eerst moet een zo mogelijk waardig, zwijgzaam gedrag aan worden genomen. Minachting van dit gebruik kan de ergste nadelige gevolgen veroorzaken. Ik nuttigde daarom zwijgend mijn maaltijd, pakte in alle rust mijn proviandspullen bij elkaar en keek dan mijn staande onbekende nog steeds vragend aan. “Ik sta helemaal tot je dienst en wil je naar de mijnen brengen,” zei hij rustig.

 

Ik was opnieuw weer verrast, want hij had een precies antwoord gegeven op mijn niet uitgesproken vraag in gedachten. “Wie zijn de jouwen?” vroeg ik, terwijl ik onwillekeurig bij mezelf ten rade ging of ik het ook wel wagen kon zonder gevolgen. “Je komt naar vrienden en zult je geweer niet nodig hebben. Deze zijn bij ons nutteloos,” zei hij weer in de richting van het besef van mijn gedachtegang. “Bij ons heerst de vrede! In vrede ben ik je tegemoetgekomen en zal ik je leiden, tot je ons verlaat. Mijn vader verwacht je al lang. Hij is degene, die mij op je liet wachten. Hij zag je ons land binnenkomen. Aangezien jij van goede, edele gezindheid bent, heeft hij jou beschermd. Bij ons is meer mogelijk, dan je vermoedt. Ik trok je, sinds je in het gezichtsveld kwam, met mijn wil hierheen en observeerde je komen, anders had je de weg niet gevonden.” Mijn verbazing was nu echt geweken en ik stond tegenover een geheim dat ik in ieder geval wilde oplossen. De jongeman had steeds op mijn bliksemsnel opduikende gedachten geantwoord nog voordat ik in staat was die in woorden te proberen weer te geven. Mijn vroegere studie over de zogenaamde occulte wetenschappen gaf mij de sleutel, dat hier een gedachteoverbrenging  plaatsvond, waardoor een zodanige snelle conversatie mogelijk gemaakt werd. Het typisch vurig verlangen naar deze hoogte, die mij in het dal had aangegrepen, het gevoel van geobserveerd te zijn, terwijl ik mij alleen waande, kwam mij nu voor de geest.

 

 

 

 

 

 

De weg naar het dal

 

Vastbesloten zei ik tot de jongeman: “Ik ben bereid je te volgen!” Vriendelijk knikkend riep hij mij toe: “Kom, je vragen zullen door ons beantwoord worden!” en hij liep naar het binnenste van de grot. Ik volgde. Een smalle, kronkelige gang opende zich als een tunnel. Wij schreden naar binnen. Spoedig omringde een dikke duisternis ons en ik bleef staan. Mijn gids nam mij bij de hand en trok mij naar zich toe, zonder dat de een of andere hindernis mijn passen voortaan stoorden.

 

We gingen lange tijd in deze door de natuur gebouwde tunnel, als plotseling in de verte een ster opglansde, die geleidelijk groter wordend uiteindelijk het einde van de tunnel bleek te zijn, waarin het heldere daglicht binnenvloeide.

We bereikten de uitgang van de grot en nu bood zich tot mijn verraste blik een uitzonderlijk beeld. Voor mij opende zich een bergketen, die misschien bijna een mijl in diameter zou kunnen zijn. Geheel en al ontoegankelijke hoge bergen, wier kale toppunten hoog in de wolken uitstaken, schenen iedere toegang tot deze afgesneden plaats af te sluiten.

Naar alle waarschijnlijkheid bood de grot, die wij hadden doorlopen, de enige toegang tot dit verborgen, omgrensde bergdal. Een doorkijk over een lager gelegen bergdeel, waardoor een achterliggend gebied te zien was geweest, was nog niet duidelijk. Het aan mijn voeten liggende dal was door talrijke beekjes doorstroomd, die in een helder, ogenschijnlijk zeer diep meer uitmondden.

 

Aan de oevers van het meer groeide een complete overvloed van tropische flora en uit het donkergroene van de palmen en veelvuldige struikgewassen, lokten vriendelijke, lichtkleurige huizen naar voren, die gebouwd waren volgens oosterse aard.

Het geheel maakte de indruk van de manier waarop ik in mijn fantasie me dikwijls Bijbelse plaatsen van de profeten had voorgesteld.

Een onbeschrijfelijke vrede rustte op het landschap, omdat door de beschermde, reusachtige bergketens de luchtstromingen werden tegengehouden.

 

Mijn gids verzocht mij hem precies te volgen, omdat de afdaling vanaf nu moeilijk werd. Hij leidde mij over losgeraakte stenen en door hoge begroeiingen in slangenspiralen de berg omlaag. Zijn krachtvolle arm moest mij meerdere malen steunen en ik bewonderde de zekerheid waarmee dit jongmens  spelend en moeiteloos de grootste hindernissen overwon, terwijl ik in het zweet van mijn aangezicht de grootste inspanning soms dreigde te verliezen. Gemakkelijk, alsof hij vleugels had, sprong hij op een rotsblok en trok mij naar zich toe; dan weer rolde hij grote stenen terzijde, zodat mijn voet een beter steunpunt pakte. Ik kon de kracht niet begrijpen,  die nochtans in het niet-herculische lichaam moest wonen.

 

We hadden bij onze afdaling de richting ingeslagen naar een vooruitspringend gedeelte van een zadelberg, waarop een groot gebouw stond, dat enigszins de omgeving leek te beheersen. In ieder geval kon men van deze uit het hele dal gemakkelijk overzien, en mijn gids zei mij, dat dit het doel was van onze wandeling. We traden nu een bos in en bespeurden gebaande wegen, die wij betraden. “Wij zijn dadelijk bij ons doel,” riep hij mij aanmoedigend toe. Wederom in het juiste besef van mijn onuitgesproken wens, “toch is het moeilijkste voor jou nog uit te voeren”. Deze woorden waren mij niet aangenaam, omdat mijn uitputting een hoogtepunt bereikt had, die dezelfde betekenis had met het gehele falen van mijn krachten.

Ik sleepte mij meer dan ik liep en als de jonge man nu stilstaand naar een open plek wees, bemerkte ik al dichterbij lopend, dat voor ons bij de steile en naar beneden hellende rotswand, zich een vreselijke afgrond opende. Het was onmogelijk verder door te dringen; huiveringwekkende diepten sneden elke weg voor ons af. 

Van beneden lachten de vriendelijk uitnodigende woonhuizen ons toe vanuit het diepe groen omhoog. Maar er was geen mogelijkheid aanwezig dezelfden te bereiken. Ik had dan vleugels van een adelaar moeten bezitten.

Lachend keek de jongeling mij aan en wees op mijn vragen, waar de weg zich voortzette, direct beneden omlaag in de afschuwelijke diepte. Ontsteld zag ik hem aan, ik geloofde op dit moment toch een waanzinnige voor mij te hebben. Spoedig echter werd ik door een beter iemand onderricht. Van beneden, uit de afgrond omhoog, dicht aan de gladde rotswand, verhief zich plotseling een smalle stellage, zoals een deel van een podium in een schouwburg, dat men laat zakken, waarop meerdere personen plaats hebben. De jongeman greep mijn hand en trok mij, dit betredend, naar zich toe. Ik zag nu, dat een soort lift de verbinding tussen de hoogte en het dal tot stand moest brengen. Ik moest echter, duizelig geworden, direct de ogen sluiten, als ik in de vreselijke diepte keek en hield mij bevend aan mijn gids vast.


In het dal

 

De tocht ging razendsnel omlaag in het dal. Mijn adem werd afgesneden – ik waagde de ogen niet te openen, - dan een lichte schok, het gevaarte rustte, we waren beneden.

Huiverend nam ik de vreselijke hoogte op van de rotsen, in wier gesteente de kunstige mechanica in een volgens mij onverklaarbare wijze was bijgevoegd, en dan om mij heenkijkend, bemerkte ik meerdere krachtige, prachtige mannengestaltes, gekleed zoals mijn gids, die hier naar het schijnt het bewakersambt vervulden.

Respectvol begroetten zij ons. Een van hen trad op mij toe en verzocht mij vriendelijk hem mijn lastige bagage en het geweer toe te vertrouwen. Ik deed het.

Enkele schreden verwijderd merkte ik een vriendelijk huisje op, bijna verscholen door het struikgewas.

Van daaruit hoorde ik opgewekt paardengehinnik en direct daaropvolgend bracht een knaap een mak paard. Mijn gids vroeg mij op deze te stappen. Ik was alsof onder een ban, er kwam mij niet de gedachte op van een tegenspraak, niet eens de vraag, wat men met mij voorhad. Het hele avontuur was zo zeldzaam, het scheen mij zo sprookjesachtig toe, dat ik mij zonder aarzelen dat ogenblik volledig overgaf, wel wetend dat, als men kwaad met mij voorhad, nu toch elk verzet nutteloos was en slechts een waardig gedrag van voordeel kon zijn.

 

Maar zoals gezegd, ik had geen vrees, want deze geheel en al wapenloze mannen hadden vooral het hoogst toevertrouwend opwekkend gedrag in zich. Het krachtige paard, dat mij droeg, stapte monter voorwaarts, mijn eerste gids en die mannen, die mijn bagage hadden afgenomen, liepen zwijgend daarnaast en leidden mij op goede wegen naar het reeds voorzegde dal en huis, dat nu door bomen gedeeltelijk verborgen was. Na een lange wandeling dook het plotseling tevoorschijn uit het groen. Midden op het platform van de heuvel, omgeven door geweldige palmen en bloeiende struiken, verhief zich een enorm prachtig landelijk gebouw van de hoogste architectuur schoonheid, verder een hof met bijgebouwen, aan de ene kant zich aansluitend, terwijl de andere zijden een voortreffelijk verzorgde bloementuin omgaf, die van de heuvel naar beneden liep. Ik zag mij verplaatst in een sprookjeswereld.

 

Kostbare standbeelden, kabbelende beekjes, lieflijke bloemen van nooit geziene pracht en grootte, die geurden, daarbij de goudachtige zonneschijn, het lichte blauw van de hemel, de reusachtige sneeuweigen topjes van de geweldige bergen, die de achtergrond schilderachtig omsloten, de blik in het kostelijke vredige dal voor ons, alles was daar van in vervoering gebrachte schoonheid van overweldigende grootsheid.

 

Tijdens de tocht wilde toch soms weer de twijfelende zorg om mijn welzijn insluipen, nu verdween deze volledig, de mensen, die deze omgeving bewoonden en zulke kunstwerken, zoals deze tuin was, te denken gaf, konden alleen maar groots en onmogelijk anders dan gastvriendelijk zijn. Uit de deur van het prachtige huis trad nu een grote gestalte en waardige man van middelbare leeftijd naar voren, gevolgd door enkele mannen, ogenschijnlijk de dienaren van het huis.

Mijn jonge gids haastte hem tegemoet en werd door hem omarmd. Ze wisselden enige woorden en vervolgens riep de man mij een vriendelijke vredegroet toe, die, zoals ik direct onderscheidde, de huisheer was, en die mij verzocht  binnen te komen.

Ik volgde zonder aarzeling, werd door de huisheer eveneens omarmd en lichtjes op het voorhoofd gekust en dan in een hoog, vriendelijk vertrek geleid, dat aangename koeling schonk. Ik was met de gebiedend uitziende man alleen. Zelden had ik een mens met zo’n majestueus, edel uiterlijk gezien. Een priesterlijke waardigheid ging van hem uit, die door de witte tot aan de grond reikende plooiachtige kleding aanzienlijk werd versterkt.

Zijn bewegingen vertoonden een koninklijke betamelijkheid, zijn welluidende stem gaf gewoonweg een boeiende indruk, de helderheid en de glans van zijn ogen getuigden van een macht, die ook verstokte zondaars zou laten sidderen.

Verbaasd keek ik naar het rijk aan oosters versierde kamermaaksel, dat gedeeltelijk een Europese uitrusting had, de kunstzinnige vloerkleden en gordijnen, en de mij lachend  aankijkende heer des huizes, die klaarblijkelijk mij welgevallig observeerde.

Het kwam me voor als een bevangen burger tegenover hem, die onverwacht en voor de eerste keer tegenover zijn vorst staat. “Nogmaals welkom, vriend,“ sprak hij me aan en reikte mij de hand. “Je bent verbaasd hier midden in een verwachte wildernis een beschaafd volk aan te treffen. Nu, hoe bevalt je deze openbaring van het geheim, dat je nastreeft? Beantwoordt het aan je verwachtingen?”

Ik antwoordde: “Vriend, wie je ook zijt, veroorloof me, dat ik eerst van al het eigenaardige, dat ik reeds heb gezien, mij een beetje uitrust en eerst vooralsnog aan het onverwachte gewen. Ik ben van mijn stuk.

Midden in het geheimzinnige Afrika vind ik mensen, die mijn taal spreken, vind ik een paradijs, vind ik een cultuur en gebruiken, terwijl aan de andere kant van de berg alles zo anders is. Hoe is het mogelijk, dat onze wereld niets van jullie weet?”

 

“Omdat wij het zo willen, volgens de wil van de Hoogste”, antwoordde de huisheer ernstig, “en tegen mijn wil in had je ook nooit en ten nimmer deze weg gevonden. Jij behoort tot ons geslacht, per abuis verloren onder die mensen, die geloven daar de heren van deze aarde te zijn,  je zocht ons, ook indien onbewust, en zo trok ik je hiernaar toe, zodat je het innerlijke kleinood mag vinden, dat iedereen zoekt en weinigen vinden.”

Verbaasd keek ik de spreker aan. Deze voer verder: “Heeft de onvrede je niet bijna verteerd, dreef de dorst naar puur inzicht je niet van land naar land, zocht je niet zelf een tijdlang door zinloos tijdverdrijf je te bedwelmen, omdat je daaraan wanhoopte de waarheid te vinden; want alles bewees zich als illusie en ijdel zelfbedrog: het weten en kunnen van de wereld, het leven en de drijfveer van de mensen.

Gaapte de leegte van het bestaan je niet aan, dat je zo zonder doel toescheen, zoals een open helle ruimte, die je toch nooit meent te kunnen ontvluchten.

Zie, er was een uur in je leven, die beslissend voor je moest zijn. Je had het wereldse weten in je opgeslagen en besefte hoe weinig die geschikt was, om het raadsel van het leven op te lossen.

Je had het wezen van het leven onderzocht, maar noch reageerbuis noch ontleding konden je dit verklaren, want je zocht God in het uiterlijke en zo kon Hij zich ook niet aan je openbaren; daardoor voelde jij je vereenzaamt en verlaten en dit grijsachtig bewustzijn van eenzaamheid wierp je ooit in je studeerkamer met zo’n groot geweld op de bodem, dat je in je innerlijke hart uitschreeuwde: ‘God daarboven, als Je daar bent, zo openbaar Je aan mij en ik wil Je prijzen.’ Hete tranen weende je en als door deze je bezwaarde hart zich had opgelucht, viel je blik op een nieuw werk over Afrika, dat door je achteloos aan de (zij)kant was geschoven. Ontbrandend viel de gedachte in je ziel daarheen te wandelen en verliet je niet weer. Je voerde je voornemens uit en elke kreet, die hier bij ons een weerklank had gevonden, zal je verlossen; je zult de lang gezochte vrede vinden!”

 

Verbaasd keek ik de spreker aan en vroeg stamelend: “Wie ben je, dat je deze dingen bekend zijn? Ik was op elk uur alleen, geen mensenoog had me gezien en evenwel is je niet alleen de uiterlijke, maar ook de geheimste gedachte van mijn ziel bekend. Ben je een alwetende en alziende God, zijn jullie goden, die alleen in een schijnbaar vleselijk lichaam op aarde opwellen?” Mijn gastheer zei ernstig: “En zullen wij mensen niet goden worden, niet goden zijn? Is de trotse naam, <evenbeeld van God>, die de mens draagt, niet een getuigenis van hem, dat hij volkomen moet worden, zoals de Vader in de hemel het is.

Wat verwondert jij je, wanneer jij je in deze zegenrijke afzondering van de mensen bevindt, die op weg naar de volkomenheid je een beetje vooruit zijn. Ja zeker, daarover verbaas jij je en je draagt een getrouw beeld van de algemene mensheid aan, die aan de andere kant van deze hoogten wonen in de landen van de zogenaamde civilisatie. Deze verbazen zich, zodra in het kader van hun zelfgemaakte begrippen iets naar buitenkomt; dat is voor hen ongrijpbaar en onwaar, het is dan een bedrog.

Wil je ook overdenken, op welke wereldloopse wijze ik wat kennisgeving van je heb ontvangen, om nu een slim bedrog uit te voeren, een begoocheling, om voor je als hoger wezen te gelden? Kijk om je heen, je bent bij me, zelfs in mijn macht, wat kon het voor een nut hebben, jij vreemdeling, die met je meegebrachte cultuur hier niets gebruiken kan, ons te willen misleiden. Heb daarom ziende ogen, leer bij ons, omdat jij ons niets kunt leren!”

 

Ik zweeg een poos beschaamd – de gastheer had toch direct de in mijn opkomende gedachten onmiddellijk herkend en daaraan uiting gegeven – en sprak dan: “Vriend, wie je ook zijt, leidt mij uit deze chaos van tegenstrijdige gevoelens, zodat ik in staat ben om te leren, geleidt mij, om mijn gedachten te beheersen, want ik zie, deze zijn je allen duidelijk, en ik vrees bijna, deze akelige wetenschap kon belettend tussen ons treden.”

 

Lachend zei de huisheer: “Wat hindert je dan om alle vijandige gedachten te verbannen? Onder de zogenaamde cultuurmens is wantrouwen wijsheid van het leven, en de kunst om het innerlijke tegenover het gladde uiterlijke te stellen vormt de hoogste triomf van maatschappelijke vormwezens, maar hier ben je toch bij de wilden, want van jullie gewende cultuur vind je bij ons geen spoor. Hier is openheid natuurwet; wij lezen de gedachten van de mensen van het voorhoofd. Vergissing is slechts mogelijk daar, waar minachting zedenreinheid het geestelijk oog vertroebelt; bij ons geldt niet de maatschappelijke vorm, maar de overeenstemming van gedachten en daad, geleid door de wijsheid van liefde als hoogste triomf van het leven. Verban daarom elk wantrouwen, verjaag het naar de andere kant, ver achter elk niet te beklimmen berg; hier woont slechts broederlijkheid en waarheid, je hebt hier niets te vrezen, kom, rust uit en laat ons praten, zoals het mensen betaamt, die zich als broeder herkennen; vraag, ik zal antwoorden. Wil je je versterken, zo geniet van deze spijzen.”

 

Met deze woorden nam hij uit een kast een korf met verse tropenvruchten en zette een kroes neer op een tafel gevuld met kostelijke wijn. Ik strekte mijn - nog door de wandelweg - vermoeide ledematen uit op een bankje en tastte flink toe. Na een korte pauze vroeg ik mijn gastheer: “Verklaar mij, mijn vriend, hoe het mogelijk is om mijn gedachten te onderscheiden? Ook je zoon was in deze even gemakkelijk, zoals ik reeds bij mij heb ervaren. Waarop berust deze wonderbaarlijke gave, wier mogelijkheid bij ons wordt ontkent?” Hij antwoordde: “Omdat wij het levensdoel van de mens inzien en de wet vervullen. Je begrijpt me niet, nu dan, hoor toe. Neem een of ander boek, je zult de geschreven of de gedrukte letters gemakkelijk ontcijferen en de betekenis omkleden en zonder moeite begrijpen, omdat je de kunst van het lezen zeer bekend is.

 

Komt er nu een mens, die deze kunst nog niet begrijpend het boek bekijkt en omdat hij de rimpelige kenmerken niet kan duiden en beweert, dat het onmogelijk is uit deze een zin af te leiden, zo zal je kunst toch blijven bestaan en haar eenvoudige wetten de kenner natuurlijk duidelijk zijn. Zo is het ook hier. Het ontkennen van de niet-kenner zal de wet niet opheffen. Wat schept dan in het woord het begrip klank of het begrip, dat met de luiten is verbonden. Zeker, alleen het begrip geluid is slechts het overdrachtsmiddel van de ene persoon naar de andere. Nu bedenk, zodra het overdrachtsmiddel zich verandert, zou het begrip zich dan ook laten overbrengen?

 

Zeker, want het schrift is bijvoorbeeld reeds zulk een middel. Ik vraag je nu, op welke wegen begrijp je die geluiden of de in schrift in vorm gegoten begrippen? In ieder geval daardoor, dat je in je hersenen door de prikkel van de klank of door de lettergreepvorm het gegoten begrip in je ziel duidelijk maakt of gewekt wordt. Ligt echter in je ziel niet reeds het begrip, zo kan het ook niet gewekt worden, de mens begrijpt dan niet het overgebrachte, omdat zijn weten een hiaat vertoont, dat eerst moet worden opgevuld, terwijl hij leert.

 

 

 

Zouden nu twee mensen, in wier psychisch voorstellingsvermogen voldoende begrippen, (weten) opgeslagen liggen, nog een ander tot nu toe onbekend middel vinden, dan alleen de prikkel der klank of vorm van de lettervorm deze wederzijds op te wekken, zo zouden ze waarschijnlijk met deze zielsbegrippen zich evenzo vertrouwd kunnen maken dan via de algemeen gebruikelijke wegen. Zulk een middel bestaat, het is de wil. Wordt deze voldoende geoefend, zodat de uitgaande impulsen van de wil worden waargenomen en opgenomen, zo is dat begrip niet moeilijk.

 

Iedere gedachte is echter met een impuls aan de wil verbonden, anders kon de ziel hem in zekere zin geen leven inblazen en hem zulke klemtoon geven, dat de mens bij zichzelf zegt: “Deze gedachte leeft en heerst in mij. Ben ik nu gevoelig genoeg om deze reeks van nog zo zwakke gedachten als impulsen van de wil – gewaar te worden en ik ze voel, even gelijksoortig zoals jij het gesprek van anderen hoort of niet horen kunt, naarmate je interesse, zo lees ik ook je geheimste gedachten, omdat je niet denken kunt, zonder denken te willen en dit willen wordt je verrader. Wij zijn hier zeer geoefend om de wil te uiten en te voelen, omdat onze opvoeding daarheen gaat om voor alle dingen de wil te oefenen. Wij gaan uit van het grondbeginsel, dat in de eerste plaats de mens om zijn existentiedoel te kunnen rechtvaardigen, zichzelf moet beheersen. Dat wil zeggen, dat hij niet alleen maar een beetje uiterlijke zelfbeheersing mag laten zien, terwijl innerlijk de storm raast, maar dat hij iedere psychische opwelling grondig moet begrijpen, zodat deze nooit over de wil in de gestalte van hartstocht zich kan verheffen, maar steeds door deze wordt geregeerd. Uiterlijke zelfbeheersing is enkel en alleen huichelarij, wat wij haten. Innerlijke en uiterlijke zelfbeheersing, die onafscheidelijk moeten optreden, zijn een deugd die de mens tot de hoogte van zijn ware mensdom leidt. Door deze deugd zijn wij tot veel in staat, veel meer dan onze broeders in de zogenaamde geciviliseerde landen, die zich zo graag beschouwen als heren der natuur en toch slechts de slaven van diezelfde natuur zijn, ook als ze gouden kettingen dragen.”

 

Verwonderd vroeg ik: “mijn broeder, hoe bedoel je dat met  slaven? Bloeit niet kunst en wetenschap in alle landen, zijn de uitvindingen der nieuwe tijd niet de triomf van het zegenrijke mensenverstand?” Ernstig antwoordde mijn gastheer: “Vriend, in de loop der tijden hebben er al herhaaldelijke volkeren bestaan, die het verstand wel wisten te ontwikkelen, die iets geweldigs presteerden, waarvan de geschiedenis weet te berichten, en die de kunsten en de wetenschappen wisten te beoefenen, en waar zijn nu hun sporen gebleven? Verwaaid is hun bestaan en de huidige wereld meent dat dit het algemene lot is dat niet is te ontlopen; nieuws moet steeds op het oude volgen en het is ijdel te menen dat er iets door de mens van betekenis gecreëerd kan worden. Het kan vrijwel nooit van eeuwige duur zijn. En dan nog kon wel zeer het eenmaal verworvene de komende geslachten behouden worden, als slechts de juiste weg benut en niet genegeerd werd.”

Het is niet voldoende om alleen te presteren; daarmede het gepresteerde van lange duur zij, moet hem de kracht voor instandhouding gegeven worden, dat uitbreidt, verbetert en aanvult. Nu zie, daarmee deze kracht voor de instandhouding zich uit, zul je de wil weer niet kunnen ontberen. Het is je gemakkelijk duidelijk, dat een slordig werk allesbehalve duurzaam zal zijn dan een serieuze vervaardiging; voor het ene heb je minder nodig, voor het andere meer inspanning van de wil, en deze daardoor meegegeven ongelijke kracht voor instandhouding laat zich juist ook spoedig aan het werk zien.

De werken, die geschapen worden tot het doel van genot – en wat de mens schept, heeft meestal alleen dit doel -  moeten ook snel tot stand gebracht worden, waarmee het genot juist zo spoedig mogelijk wordt gerealiseerd, en daarmee dragen ze de snelle achteruitgang reeds in zich, want het is een slordig werk, die de tijd niet weerstaat. Het heeft slechts duurzaamheid en het verleent de serieuze wil de kracht der instandhouding en het kan daardoor ook de tijd trotseren. Maar beter dan alle woorden zal het voorbeeld je laten zien, wat de wil bij ons kan doen. Kom, volg mij, laat ons een ronde doen, zodat je de bewoners van dit dal leert kennen of voel je je nog vermoeid?”

Ik ontkende, want op wonderbaarlijke wijze voelde ik geen spoor meer van de vroegere uitputting en graag was ik bereid mijn gastheer te volgen. Mijn gastheer leidde mij nu naar buiten toe. We gingen de heuvel omlaag naar die vriendelijke huizen, die ik vanaf de hoogte al opgemerkt had. Daarover wil ik kort zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kennismaking met de dalbewoners

 

Ik heb daar mensen gezien, die noch onmin noch nijd, noch rang kenden, maar die als broeders met elkaar omgingen, zich broederlijk ondersteunden en voor alle dingen een hoog geestelijk weten bezaten.

Elke bekwaamheid die mij zo zeer verbaasd deed staan om de gedachten van anderen te lezen, bezaten ze allen; het was daarom onmogelijk dat leugens en bedrog zich konden uitbreiden, een nutteloos ondernemen, dat direct de verachting van allen tot gevolg had.

De vrijgevige natuur schonk hen alles voor het levensonderhoud, maar ze wisten de drijvende krachten van datzelfde door een wonderbaarlijke wilskracht te versterken en te gebruiken. Hun velden en vruchtbomen droegen een zegen, zoals die mij tot nu toe onbekend was en ongelofelijk toescheen.

Eerst later werd het mij duidelijk, welke wetten hun vruchtbaarheid tot stand brachten. Wonderbaarlijk was de werking van hun wilskracht, die ze wederzijds uitoefenden, zowel op zichzelf als op alle andere levende wezens.

Op afstanden, waarheen het geluid van de stem niet doorbrak, maakten zij zich met gemak verstaanbaar door de wil van de telepathie; de wet was dezelfde die mijn gastheer ontwikkeld had. De dieren gehoorzaamden hun onuitgesproken wil,  evenzo zoals de moeizaam afgerichte dieren van onze cultuurbanden, maar verreweg gewilliger en nauwkeuriger.

 

Mijn gids toonde mij het gelukkige familieleven van de dalbewoners. Beide geslachten leefden hier liefdevol elkaar aanvullend. Hier bestond geen heerszucht, geen emancipatie.

In wederzijds streven elkaar liefde te bewijzen, zocht ook geen deel de grenzen te overschrijden, die voor elk geslacht zijn getrokken. Ware erkentenis van de plichten toonden zich continue in hun handelwijze. De ouderdom werd door hen geëerd, zoals ik het nooit bij andere volkeren heb gezien, en deze eerbied was begrijpelijk, daar de last van de ouderdom door de grijsaards niet waargenomen werd, want daar vond ik alleen oude mensen, die niet alleen in het volle bezit van hun lichamelijke krachten waren, maar ten gevolge van hun ervaring en hun innerlijk leven ook in het bezit van verhoogde geestelijke krachten en van het omvangrijkste weten.

 

Deze korte gang van zaken overtuigde mij niet alleen van dit alles, maar een langer verblijf zou mij onder deze oprechte mensen een juist oordeel verschaffen, dat later ook door verdere indrukken werd bewaarheid.

 

Als wij uit een huis traden, waar mijn gastheer mij had heen geleid, om het patriarcharische familieleven en de geordende harmonische leefwijze der bewoners te leren kennen, was mij een enorme schrik ten deel gevallen. Aanvankelijk uit de deur naar buiten tredend, bemerkte ik dicht voor mij een enorme leeuw, die zijn tanden liet zien en gromde en ogenschijnlijk op het punt stond mij aan te vallen. Snel nam ik mijn revolver, die ik aan de zijkant droeg, tevoorschijn, om mij te verdedigen, strekte de bewapende arm uit en voelde mij direct als verlamd.  De huisheer, diens huis wij zojuist wilden verlaten, had naar mij toe een afwerende handbeweging uitgevoerd, wat mij onmiddellijk onmogelijk maakte slechts nog een ledemaat te roeren.

Vervolgens schreed hij haastig naar voren, greep het geweldige dier bij zijn ruige manen, riep hem enkele woorden toe en gehoorzaam draafde deze koning van de woestijn naar een hoek van het huis, waar hij ging liggen. Lachend wendde de man zich naar mij, die nu eerst de verlamming uit mijn ledematen deed wijken en zei: “Zulke gevaarlijke huisdieren hebben jullie niet: hier bij ons zijn ze welkome, ongevaarlijke gasten, die ons niet schaden, maar dienen. Je revolver was onnodig voor de verdediging en zou, zonder mijn ingreep, mijn kinderen een speelgoed geroofd hebben, die hen lief en duur geworden is!”

We namen hiervan afscheid en onderweg drukte ik mijn gastheer mijn verwondering uit over het avontuur.

Hij zei mij: “Je mag hieruit erkennen, hoe weinig jullie en hoe zeer wij meesters van onze omgeving zijn. Elk van onze knapen zal zonder vrees het snelste roofdier tegemoet treden en het door zijn onverzettelijke wil, die zich in zijn blik laat aflezen, weten te temmen; ja, wij moedigen ze daartoe aan, daarmee ze deze kracht oefenen. Het benodigt geen wapen, onze wil is voldoende, en dat hij krachtig is, heb je aan je zojuist zelf ondervonden.

Met al je wapens: jachtgeweer, revolver en pistool, zou je als vijand hier niets uitrichten, elk van deze dalbewoners zou je met één enkele wilimpuls net zo verlammen, als elke leeuwbezitter het zou doen, van wie je voorbarig zijn dier zou neerschieten.”

 

Peinzend liep ik naast mijn gids verder. Ik kwam mij  met mijn civilisatie, met mijn kunde heel erbarmelijk voor. verminderde toch datgene, op wat ik tot nu toe geloofde, trots te zijn kunnen, tot een niets bij elkaar. Datgene waarop ik tot nu toe geloofde trots te kunnen zijn, verschrompelde tot niets.

We kwamen door een prachtige bloemige tuin en rijk gezegende velden tot gindse meer, diens spiegelgladde vlakte mij op de hoogte zo vriendelijk had aangekeken. Voor ons zag ik in matige afstand een eiland, waartoe echter geen brug leidde. Dicht loofhout en slanke palmen verhulden geheimzinnig het binnenste. Mij scheen het, als verlichtte achter het diepe groen een witte vlakte van een gebouw te voorschijn.

 

Ik vroeg mijn gids, wat dat was. Hij antwoordde: “Hier is de plaats, waar wij Hem, de Gever van het leven, de Bron van ons bestaan vereren, waar wij ons met Hem verenigen, Die de Al-Enige ware Heerser is. Ik mag je nog niet daarheen leiden, want onvoorbereid zou de lichtsterkte van deze plaats jou grijpen en je schaden in plaats van tot nut te zijn. Wil je een tijdlang bij ons verblijven, zo zal je het mysterie van elke tempel overduidelijk worden, wiens schijnsel door het groen breekt.” Opgewonden riep ik: “Vriend, mag ik blijven? Een blijmoediger aanbod is mij nog nooit (aan)gedaan!” Ernstig greep hij mijn hand en sprak: “We jagen je niet weg, als je jezelf niet wegjaagt. Voor de strevende staat alles open, maar slechts in het streven kunnen wij vrienden blijven en broeders. Mijn huis is voortaan het jouwe!”

 

Ik keek deze bijzondere man in de ogen, en mij was het, als trok mijn gehele ziel zich naar hem toe; hij echter wees met de hand naar het gindse eiland, en daar kwam het me voor, als ruiste het geheimzinnig van daar naar deze kant, als fluisterden de golven van het meer een lied, dat mijn zintuigen (om)streelden en met een droomvisioen mijn denken omgaf.

Het vurig verlangen en de vurige liefde, die mij tot mijn gids aangreep, vluchtten naar de andere kant naar dat onbekend eiland, uit wiens binnenste een bliksemstraal op te flitsten scheen, die mijn hart trof en vibrerende klanken op zijn lichtgolven droeg, die zich tot luiten, tot woorden vormden.

 

Nu vernam ik zacht, als uit de verre verte, melodieus gezang, stemmen, die in een jubelkoor de mooiste liederen zongen, en over dit gezang heen vernam ik op afstand een welluidende stem, die sprak: “Heb Mij lief in je naaste, zo eer je Mij en Mijn werken!”

 

De weldoende, rustige spraak van mijn gids, wekte mij uit mijn droom. Hij verzocht mij hem te volgen en nog bedwelmd van dat, wat mijn ziel ervoer, willigde ik zijn verzoek in.

Wij kwamen weldra terug in zijn prachtige huis. Ik bleef nu gast in het huis van mijn vriend, die zich Chorilles noemde en het ambt van een hogepriester uitoefende. Wat ik hier leerde, kan ik slechts gedeeltelijk meedelen, want hiervoor zou ik moeilijk voldoende begrip vinden.

In zijn huis, in de omgang met zijn familie, leerde ik de vrede van de ziel vinden, die ik zo lang gezocht en niet gevonden had. Het wezen van de Godheid was mij ontsluierd en onthuld stonden de geheimen van het leven en de grote geestelijke wetten voor mijn ogen, naar Wiens kennis (kennis van God) het eerst lukt, om oprecht mens te zijn.

 

We zaten op een aanbrekende avond in één van de prachtige tuinen onder schaduwschenkende palmen en bloeiende struikgewassen, als Chorilus mij de volgende inlichtingen gaf:

“Kijk om je heen, alles wat je ziet is gesterkte wil, elk blad, elke steen en elke plant wordt slechts onderhouden door het in hem wonende levensprincipe, en wat is dit principe?

Maar het is niet een kwestie, dat God Zijn ontwikkelingsgang en Zijn wezenlijkheid eerst ontvangen heeft uit deze en gene oerbasis, die het toonbeeld is van al het Zijn en van al het leven, kortom: de schepping.

De Almachtige sprak in Zijn binnenste kern het scheppingswoord uit waardoor <het worde!> eruit knalde in de ruimte van de eeuwigheid. Zou de Almachtige Zijn gegeven wil weer opeisen, dan zou onmiddellijk vernietiging het gevolg zijn.

 

In de mens wil de godheid zichzelf betrachten, in hem moet, zonder dat hij daarom zelf de godheid is noch ooit worden kan, het evenbeeld van de godheid ontwaken, dat gelijksoortig is met de Vader, dat volkomen is, alsof het de Vader is. Wat hoort hierbij? Beslist allereerst, om de wil van de Al-Vader te erkennen en deze te vervullen; want omdat er maar één wil bestaat, zo kan naast dit niets bestaan, noch zonder deze EEN, die alles omvat, door andere wegen volmaaktheid te bereiken zijn; of het begrip der volmaaktheid moest dan als deelbaar gedacht worden, die als mogelijkheid in zichzelf uiteenvalt. Wil de mens volkomen worden, zo moet hij zich met de scheppende wil verenigen, want deze is de volmaaktheid, in hem rust alles – waarheid, het hoogste Zijn, inzicht, - en doe je dat, zo vervul je de geestelijke wet, het mensengeluk ligt in de vereniging met God! –

Dit verenigen kan alleen van nut zijn, als ze vrijwillig geschiedt, maar gedwongen bewerkstelligd, wordt de mens een machine en niet het evenbeeld van God, en zulk schepsel kan ook de Schepper niet voor zijn grootste doel gebruiken, want in Hem is vrijheid, die de volmaaktheid verschaft. Bijgevolg moet ze ook in het evenbeeld bereikbaar zijn. De mens, die dit doel begrijpen moet, wordt daarom zo geplaatst, dat hij zich als buiten God voelt, hij kan zich tegenover Hem stellen in een innerlijke trots, kan een nieuwe God scheppen, wanneer hij wil, kan zich zelfs iets voorspiegelen en de godheid, die hem rondom omgeeft en haar goddelijke wetten, die zich als natuurwetten openbaren, loochenen. Een ding kan hij niet. Hij kan niet haar wil breken.

De volmaaktheid, die in de godheid rust, is slechts bereikbaar door zich met haar te verenigen. Er bestaat maar één volmaaktheid, maar één God, en die Ene wil zegt: “Word volmaakt, zoals Ik het ben!” En daarom is er ook slechts die ene weg naar God. Deze weg heet: deemoedig je! – Schepsel, jij bent een wezen, dat betekent: in je rust een ik-bewustzijn, en dit verzet zich in je en zoekt in koppigheid zijn eigen Zelf eigenzinnig tot gelding te brengen, het zou uit zichzelf het leven met inspanning willen verwerven, dat altijd maar een geschenk van de godheid kan zijn, omdat het uit haar is gevloeid.

 

Wil jij, schepsel oprecht leven, zo geef je dwaling op, alsof buiten God nog een ander leven is, wees deemoedig! Sluit je als deel aan het totale, en weet dat je alleen sterk bent als je de machtige wil van God begrijpt en laat doorstromen, die die het geluk, de welvaart en de liefde betekent en niet als jij je eigen kleine en slechts geborgen wil onbuigzaam blijft verheffen. De mens, die dan nog gelooft andere wegen te kunnen gaan, als die van het zich verenigen met God, zoekt in de natuurwetten de kracht zelf, terwijl de natuurwetten toch slechts de uitdrukking van de goddelijke krachten zijn; hij onderscheidt deze wetten wel, weet ze ook te gebruiken, maar de daarachter verborgen krachtwil vangt hij niet op.

De natuurwet is de uitdrukking van de onveranderlijke wil, daarom kan de mens alle dingen, die aan de natuurwetten onderworpen zijn, verschuiven, veranderen en verrassende verschijnselen tevoorschijn roepen en meent nu de natuurwetten te beheersen, zoals hij uit een vulkaan een kleine lavastroming af kan wenden, die nu voor allerlei kleingeestige experimenten gebruikt worden kan, - maar de vulkaan kan hij dientengevolge nog lang niet gebieden. In zijn dwaasheid beeldt de mens zich ondanks dat in en pronkt met zijn kunnen. Kijk heen naar menige landen, die je geboorteland heten. Hoe blazen ze zich daar op en noemen zich heren der natuur.”

Op zoek naar geluk

 

“Is iemand ziek, dan wordt hem ingepompt wat de chemie in het laboratorium heeft gebrouwd en deze drinkplaats moet dan genezing brengen. Dat de mensenziel, in wie de wilsdruppels sluimeren, in staat is het belichaamde woonhuis zuiver te houden en al het zieke te verwijderen, komt echter niet in jullie op.

In God en in de volkomenheid is ook gezondheid, ziekte heeft daar geen plaats, verenig jullie met Hem, laat Zijn kracht door jullie stromen en met één slag is de mens gezond.

Zo geschiedt het bij ons en daarom heeft er in dit dal ook nog nooit een ziekte gegeven. In God is overvloed en Hij geeft rijkelijk wat Zijn schepsels nodig hebben. Wij verenigen ons in het gebed met de godheid, ze zegent ons, wij zegenen onze velden en duizendvoudig is de vrucht, die ze ons geven.

 

Buiten ons dal heerst eigenbelang en hebzucht, daar kan een zegen niets baten. Volmaaktheid is niet te verenigen met slechts daaruit winst te wensen. Wie meent, dat hij  van zichzelf uit kan scheppen en ononderbroken werken volbrengen, vervalt in een Ik-motivering en opent daarmee al het leed voor dwazen. Hier heb je ook de grondslag van de vele pijn, waarover volken, mensen klagen en waarvoor God verantwoordelijk gemaakt wordt, ondanks dat de eigen dwaasheid al het leed veroorzaakt. De motivering van het ik is het ongeluk van mens en volk. Deze Ik-motivatie, het tegenstribbelen tegen het zich met God verenigen, welk laatste slechts alleen het geluk in zich bergt, vereist de weg van ervaring van het vrije schepsel, die het zich kan laten afkorten of verlengen.

 

Elk wezen is voor het geluk geboren en dit aandringen, het geluk te grijpen, is de enige prikkel van het bestaan. Elk schepsel vermoedt dat er een geluk bestaat, het worstelt ernaar en schuwt geen moeite om tot het geluk te slagen. God heeft door de openbaring de mens sinds lange tijd getoond, waarin het ware geluk bestaat en hoe het te bereiken is, maar eigenzinnig zoekt de mens zijn wegen. Hij wil het beter weten als de Schepper en gelooft niet dat zijn zelfgemaakte begrippen onjuist zijn. Hij zoekt in het materiële, in het uiterlijke, in de vergankelijke schijn, dat alleen in het geestelijke, in het innerlijke te zoeken is; hij vergeet en sluit de ogen voor het besef, dat uiterlijk aards geluk slechts oprechte vrede kan geven, als hij in het innerlijke eerst een plek gevonden heeft. Daarom creëert hij speciale geluksbegrippen zoals rijkdom, prettig leven, werkeloosheid, goed eten en drinken en allerlei zinnelijke vreugden.

 

De begrippen van dit geluk is voor hem een onfeilbare wet, en de voorstelling van zijn geestelijk idee als houder van zulk geluk lijdt aan het geloof, dat zijn God op dit verzoek hem deze dingen brengen moet, zodat hij gelukkig is. De mens klemt zich vast aan deze hem behagende zelfgeschapen god, die slechts een afgod is en die nu ook alles vervloeken moet, wat niet beantwoordt aan zijn godsdienst; want deze ik–motivering leert door haar afgod, dat alles tegen God is, wat tegen de zelfgemaakte menselijke gebruiken en tegen haar donker inzicht is. Ja, het is tegen de afgodendienst, en zolang de kracht van de ik–motivering bestaat, die deze dwaasheid bestaan laat, zo lang woedt ook de afgod door mensen tegen andersdenkende mensen. Deze met alle menselijke zwaktes opgesierde tot God verheven afgod, kan niet blijven bestaan, want de Volmaaktheid zegt: “ÍK ben jullie Heer en God, jullie moeten geen andere goden hebben naast Mij.” Daarom leid deze ik-motivatie vanzelf tot leed, pijn, omdat het – wat de mensen eerst bereidwillig scheppen in zelfgewilde eigendunk - geen voortbestaan kan hebben zonder ondersteuning van de ware wil van God, en zo wordt  de bittere ervaring dan van schitterende denkbouwsels van de  ik–motivatie vernietigd.

 

De leer van God is verkondigd op alle wegen, toont alle bekende wegen en lijkt op een rekenopgave, waarvan de rekenmeester zegt: “Zie, twee keer twee is vier, erken je deze waarheid, dan zul je daarop steunend steeds juiste berekeningen krijgen en tevreden zijn.” De mens echter zegt verstokt: “Nee, ik geloof het niet” en zegt: “Twee keer twee is vijf.”

En om deze dwazen te overtuigen, blijft de rekenmeester niets overig, dan hem te laten rekenen met zijn onjuiste formule en de eeuwige onjuiste resultaten. Het eigenzinnig bewerkstelligde leed zal opvoedend op hem werken, tot hij uiteindelijk toch gedwongen is, de enige juiste formule te erkennen. Nu erkent de ontwakende mensenziel, dat de wegen niet naar het geluk leiden, die slechts een optelsom van uiterlijke menselijke wensen zijn en wat buiten dezen stond, dat vaak dwaas als ketterij aangeduid en met fanatisme en intolerantie hartstochtelijk vervolgd werd, dat juist naar het geluk leidt. Nu licht het op. Vernietiging der ik-motivatie! Het verlangen om niet zichzelf, maar de algemeenheid te dienen, leidt tot het ware geluk, tot vereniging met God. Zaligheid is geen bezit van vergankelijke goederen, maar het bereiken van het onvergankelijke. En ik ben verbonden met de eeuwige God, zo ben ik een deel in Hem en in de eeuwigheid onsterfelijk.”

 

Ik vroeg nu Chorillus, hoe de verbinding met God op zijn zekerst bereikt werd, en hij antwoordde mij: “Je vraag is het geheim van al het leven, ze sluit het antwoord eigenlijk al in zich, en juist omdat dit geheim evenzo eenvoudig is, wordt het door de mensen niet gevonden. Laat het scheidingsgevoel niet in je opkomen, zo zul je met God ook verbonden zijn – vraag de mensen, of ze zich met God verbonden voelen. Ze zullen je alleen met nee beantwoorden. Nu, vraag ze verder, waarom ze nee zeggen moeten. De weinig werkelijke oprechten zullen je bekennen, dat een of ander gevoel van schuld de hindernis is; die anderen zullen met lege smoesjes, met niet-weten of met leugens deze ongemakkelijke vraag afwijzen, en je zult daaraan de geestelijke trage, de onwillige, verstokte en ook de sluwe mensen herkennen kunnen, die zich liever in elk inzicht afsluiten, alleen om de innerlijke rechter van elk schuldgevoel te verdoven. Voel je echter in je de verbinding van een remmend schuldgevoel, zo zul je ook in staat zijn, om dat te mijden, wat het teweegbracht en je zult je reinigen en ten slotte het gevoel van toenadering en verbinding met God verkrijgen. Hoe meer vorderingen je maakt, des te meer openbaart zich je ook de Goddelijke kracht, en in deze verbinding zul je ten slotte uitgerust zijn met Hem en dingen volbrengen kunnen, die de onwetende niet begrijpt noch voor mogelijk houdt.

 

In God is alles, want God is alles. Ben je in en met God, zo heb je ook alles, want de Vader geeft de Zoon kracht – en jullie moeten volkomen zijn zoals de vader –. Vermoed je niet, welke geweldige belofte  in deze woorden ligt?” Er drong zich mij een vraag op de lippen en aarzelend vroeg ik Chorillus: “Voel jij je verbonden met God, de Vader?” Ernstig en eenvoudig antwoordde mij Chorillus: “Ja, mijn vriend! Het is een opgave, hier aan deze afzonderlijke plaats, die geen mensenvoet zonder de hoogste Wil kan betreden, de verbinding rechtschapen te houden, dat het doel van ieder mens moet zijn. Oneindig ongeluk en pijn zou het betekenen wanneer deze aardbol zich totaal verduisterd bevond. Gloeit onder de as ergens nog zo een zwak vonkje, zo kan bij juiste verzorging toch altijd daaruit een helder vuur doen ontvlamd worden. Het geloofsvuur mag niet uitdoven. Wij verhoeden het, wij onbekende dalbewoners om niet uit de ik–motivatie en niet om des loon wils, maar alleen uit de liefde tot God en tot onze mensenbroeders. Alle kracht ontvangen wij door Hem, en de Geest van God leidt ons in  alle geheimen van Zijn Schepping en Zijn Wezen. Ik heb nooit je taal van tevoren gesproken, maar ik begrijp en spreek ze nu, omdat ik in verbinding met God ben en in Hem is niets vreemds, Hem is niets onbekends.

 

Ik ervaar uit hetzelfde principe, wat aan gene zijde van deze berg geschiedt, voor zover het nodig is dat te weten zonder een krant. We zijn hier over alle gebeurtenissen sneller en grondiger georiënteerd, dan via telegrafie en post, die nieuws kunnen bemiddelen, want God is overal tegenwoordig en heeft de menselijke voorzieningen niet nodig. Ben je met God verbonden, zo heb je alles, alles. –

Dan pas ben je heerser in en buiten je en geen speelbal meer van de natuurkrachten, wier scherpzinnige koppen gemakkelijk enkele boeien weten aan te leggen, maar een kenner van de Goddelijke wil en wet, die aan alle krachten onderworpen zijn. Want deze zijn de werkingen van Zijn bestendige wil, en je vind vervolgens elke heerschappij in en door God.–“

Verbaasd keek ik naar Chorillus en zei zacht: “Niemand kan God zien en het leven behouden, hoe kan de mens zich dan met Hem zo nauw verbinden, dat de Alkracht door hem heenstroomt?” Hij antwoordde: “Mijn vriend, als je helder en duidelijk wist wat de liefde vermag, dan zou je niet zo dwaas vragen. In deze is alles mogelijk, dit is het oerprincipe van al het Zijn, in haar liggen alle sleutels verborgen, ze lost alle raadsels op. De liefde van God is ondoorgrondelijk en alleen door de liefde worden wij aan God gelijk. –

Je zag dat eiland waarvan ik je zei, daar vereren wij Hem, de Heiligste. Er voer geen weg, geen brug tot hem, omgeven door water is het een afgesloten heiligdom. Ontvlam in je de ware liefde, zo zal het vurige verlangen je naar onze tempel (heen) leiden. Het water zal je dragen en op de kristallen vloed zul je, zoals wij het doen, naar ons eiland kunnen wandelen, dat je het hoogste mysterie onthult, dat is de liefde van God. –

 

Wat nut je al het weten en dring je niet door tot dit binnenste geheim, waardoor je alles onthult kan worden, dan was het als een holle noot. Neem en ontvlam in je deze liefde, zo lost alles zich op, wat je nog onduidelijk is en de volgende weg naar God laat zich vervolgens zien.”

 

Chorillus verhief zich en liet mij in diepe gedachten verzonken, alleen achter. Liefde! Dit woord van zo oneindige betekenis, van zo geheimzinnige diepte en zo vaak foutief opgevat, het greep al mijn zintuigen aan. Hoe neem en ontvlam ik de liefde in mij? Hoe houd ik van een wezen, dat ik niet kan zien en niet doorgronden?


Verliefdheid en echte liefde

 

De familie van mijn gastvrienden, bij wie ik verbleef en die mij met de grootste vriendelijkheid opgenomen had, bestond uit zijn echtgenote, zijn zoon, die mij in dit dal geleid had, en een dochter van buitengewone schoonheid. Moeder en dochter verzorgden het binnenshuis en waren weinig voor me zichtbaar. De charme en puurheid, die zich in het wezen van de dochter tot uitdrukking kwamen, hadden mij van begin af aan gevangen genomen. Alle gindse dames van de Europese maatschappij, die voordien de mij bekende krans van de vrouwelijkheid uitmaakten, leken mij als karikaturen in vergelijking tot deze jonge maagdelijkheid, die onbewust de van haar hart uitgaande betoverende prikkel leefde en het hart overwinnen moest. Ik wist, dat Chorillus, die zo goed gedachten lezen kon, ook mijn gevoelens van deze aard kende, nooit echter roerde hij deze aan. De vermaning, de liefde in mij te ontvlammen, gaf daarom mijn gedachtegang een richting, die wel vergeeflijk lijken zal, vooral ik dit bekoorlijke wezen op het terras voor het huis zag, de naar het huis toegestapte vader opgewekt begroette. “Liefde, liefde?” vroeg mijn ziel. “Is deze liefde tot God dezelfde, die de man tot een vrouw voelt?

Is deze liefde dan ook niet een pure vlam, die de afglans van het Goddelijke in zich verbergt? Stemt de wederkerige liefde niet gelukkig, openen zich niet de poorten van de hemel voor de liefhebbenden, voelen niet ook deze zich onttrokken aan het wereldse radarwerk, alleen in het bewustzijn van het wederzijds in zich opgaan? – Leeft niet in de vrouw ook mijn naaste, die ik liefhebben moet? Doe ik onrechtvaardig als ik dus een vrouwelijk wezen met de hele gloed van mijn hart omhels en deze als mijn godin aan mijn hele wezen wijdt, om in haar bezit gelukkig te zijn en gelukkig te maken?”

 

Terwijl ik zo zinspeelde, drong zich mij een beeld op uit mijn verleden. Al lang was ik de kleine episode vergeten, en merkwaardig, nu was ik niet los te komen van dit beeld. Het is de drukke straat van een grote stad, een oud moedertje staat bevriezend aan de tochtige straathoek, vragend spreken haar tranende ogen, duidelijker dan de afgebroken woorden, die een aalmoes afsmeekt. Ik reik haar vol medelijden een geldstuk aan. Nauwelijks is het gebeurd, dan wendt een knap bloemenmeisje zich tot mij, biedt mij lachend en knikkend een boeket bloemen aan. Ik neem hem, geef het ondeugend plagende meisje, zonder naar de prijs te vragen, een geldstuk en kijk de lieflijke deerne begerig na.

Het aangereikte geldstuk had een drievoudige waarde van het bedrag dat het oud-moedertje ontvangen had. Waarom staat dit al lang vergeten beeld zo duidelijk plotseling voor mijn geest? Mijn geweten legt mij die vraag voor – Waarom maakte je hier een onderscheid, waar lag de behoeftigheid? Handelde je rechtvaardig?

 

Mij nu ergerde achteraf mijn begane handelwijze voor lange tijd. Daar boven op het terras staat nog het mooie meisje, haar blik zwerft naar de verte, ze ziet mij niet, die ik, gedekt door bloeiende struiken, bewonderen kan. In mijn hart welt het verlangen vurig op. Ik zou naar haar toe willen rennen, de lieflijke gestalte aan mij drukken en aan haar voeten de bekentenis van mijn liefde stamelen. Ja, dat is liefde! De liefde, die God in het hart van de mens gelegd heeft, zodat hij gelukkig moet zijn op aarde en Hem dan danken voor dit Goddelijk geschenk. Ik verdraag het niet, dit snakkende gevoel, dit brandende verlangen.

 

Nu is het ogenblik geschikt mij aan de maagd te openbaren. Ze is alleen, daarom op naar haar – en dan naar Chorillus om hem te zeggen, hoe snel de liefde mij gegrepen en ontvlamt heeft. Maar zie, daar nadert Chorillus zich zijn dochter. Ik schrik, waarom? Hij leidt ze in het huis. Onwillekeurig duik ik me achter het bloeiende struikgewas, zodat zijn blik mij niet treft. – Waarom? Ik ben mij toch van geen schuld bewust? – En toch – ik voel mij onbehaaglijk, alsof ik een zonde had begaan. Stappen klonken achter mij langs de weg, die van de woningen der dalbewoners door de tuin omhoog naar de hoogte voeren.

 

Alsof ik op een boze daad was betrapt, zo schrik ik op en zie de zoon van Chorillus dichterbij stappen. Vriendelijk groette mij de mooie jongeling. Ik kon echter zijn heldere blik niet verdragen en sloeg de ogen naar de grond. Ik wist  echter maar te precies, dat mijn nog niet overwonnen opwinding en mijn geheime gedachte hem niet verborgen waren.

 

Hij liep naar mij en zei zacht: “Vriend, heeft de hartstocht je weer gepakt? Waarom schrik je voor mij? Is het niet de opdracht van de mensen te strijden en te onderscheiden – geloof je, dat ik je zou veroordelen, omdat je nog worstelt en je innerlijke krachten nog niet helemaal hebt ontwikkeld?! – O nee, vrees dat niet – Kom, laat ons rusten!” Hij nam de plaats in die voordien zijn vader ingenomen had en ik voegde mij tot hem.

 

“Je weet niet van waar ik kom. Ik wil het je zeggen. Ik heb zojuist mijn bruid verlaten en kom uit het huis van haar ouders! – Verrast zag ik de jongeling aan, nam zijn hand en riep uit: “zo houd ook jij van een vrouwelijk wezen, die je als je vrouw eens gedenkt om naar huis te leiden? O spreek, je ziet de chaos van mijn gevoelens, verlos mij van het wezen van de pure menselijke liefde. Wat is deze liefde en hoe is ze voor God gerechtvaardigd?”

 

“Ik wil proberen je deze vragen te beantwoorden en hoop, dat je me begrijpt. Wat jullie in jullie landen liefde noemt, heeft meestal niets gemeen met haar zuiver wezen. Ervaren jullie door een hebzuchtige neiging iets te behalen, zo geloven jullie liefde te voelen. Aangespoord door het gevoel voor schoonheid, voelen jullie een welbehagen, en met deze ontstaat de wens naar genietend bezit. Dit wensgevoel voert zich vaak op tot en met krankzinnigheid, en  dat moet dan liefde zijn. Deze hartstochtelijke gewaarwording in de mens verlangt alles van het onderwerp waarop men zich richt, en zowel man als vrouw, die aan haar verslaafd worden, zijn weldra alleen geneigd, alles van het andere aandeel te verlangen en zelf echter zo  weinig mogelijk te geven.

Na enige tijd van de roes, nadat de hartstocht niet meer in consumerende vlammen oplaait, volgt dan meestal de spijt, de teleurstelling, zelfs de haat. – In de tijd echter, waarin de hartstocht nog brandt, vind je bij beide delen wantrouwende jaloezie, die tirannie en onvrede in de nasleep heeft. Deze grote mengelmoes van helse, kwellende eigenschappen, die, elk naar de beteugelende wilskracht van enkelen, ongeremd zijn of in bepaalde aangrenzing der welopgevoedheid verblijven, noemt de wereld dan liefde, en volgens de mate die meestal slechts werkingen te gronde richt, ontwikkelt zich hierin de dwaasheid om de kracht van de liefde te kunnen afmeten.

Hoe zo heel anders is toch de reine, ware liefde. Deze stelt niet als de hoofdvoorwaarde op, te bezitten en dan te genieten; nee, ze wil voor alle dingen onbaatzuchtig geven en vraagt en overweegt niet of een tegenprestatie ook verleend wordt.

Ware liefde weet ook te verdragen, te ontzeggen, terwijl de onware liefde zich direct bij een dergelijke uitdaging in woede of haat verandert, want alles, dat de zelfzucht nabij treedt, wordt door deze wraakzucht bevochten.

Ware liefde tot de mensen maakt ook geen onderscheid per persoon, of oud, jong, mooi of lelijk in het uiterlijk, ze omsluit alles met gelijke zachtmoedigheid, zoals ook God al Zijn schepsels zonder onderscheid Zijn zegeningen verschaft. –

Houd je van een meisje, zo moet niet het bezit van haar voor jou de hoofdzaak zijn, zodat je haar jaloers bewaakt, maar de wederkerige aanvulling heb je in het oog te houden. – Ontbreekt deze, zo kan een roes van de zintuigen je dit gebrek niet vervangen, maar een diepste berouw is het besliste gevolg. Vind je echter de gezochte aanvulling, dan zal ook een vroegere scheiding onmogelijk worden, want wat zich aanvult tot een harmonische eenheid, wat dus God bijgevolg samenvoegt, dat kan ook eeuwig niet meer gescheiden worden. Wat echter – en hoe vaak, ja meestal geschiedt het zo bij jullie – alleen invulling vond van de wederkerige begeerte zonder innerlijke, diepere harmonie, ook dat heeft ondanks alle uiterlijke banden zich nooit gehandhaafd en scheidt zich weer, zodra het kan.

Je bent op mijn zuster verliefd, vriend. Is je liefde helemaal rein? – Hartstocht schept lijden, onreinheid en het gevoel van schuld. – Je begrijpt mij wel. – In God alleen is de reinste liefde. Ben jij met Hem verbonden, zo vallen alle slakken van je af.

Doch daarbij behoort een sterkere, grotere, onontstellende wil, een innerlijk stralend geloofsvuur, – vervolgens ontwaakt een liefde, die hoger staat dan de liefde der geslachten onder elkaar, zelfs wanneer deze een pure is. Deze grijpt beiden, man en vrouw, en wel hen, die in harmonische aanvulling verbonden zijn, want deze zijn Gods kinderen door haar geworden.

Wij dalbewoners kunnen Hem, de Heer, niet vergeten vanwege een vrouw of een man, daarom is echter ook ons huwelijk anders geaard dan die van de wereld. Heerszucht, wederkerig verdriet en misvattingen kennen we niet; want deze heersen alleen daar, waar de aanvulling ontbreekt, en zonder deze bestaat bij ons geen huwelijk. –“


Naar de tempel

 

Mij grepen de woorden van de jonge man zeer aan en zijn hand nemend, riep ik uit: “O, had ik jouw wijsheid, hoe gelukkig was ik! – Leef in God, zo heb je alles. Ik bezit niets. Alleen in Hem is de volheid, Hij is de Bron, die ons alles verschaft.” Hij stond op en naar het eiland wijzend, die het heiligdom verborg, voer hij verder: “Zoek Hem en wees er zeker van, Hij zal zich laten vinden.” Met snelle voetstappen verwijderde de jongeling zich en liet mij alleen.

 

De zon was ondergegaan en de met de tropen kenmerkende snelheid, zonder overgang van de schemering, brak de nacht binnen. In korte tijd heerste rondom diepe stilte, de sterren keken flikkerend van het hoge hemelgewelf, en de Maan wierp zijn milde licht af op de zich tot in rust gereedmakende Aarde. Doch in mijn hart wilde geen rust intrekken. – Onrustig klopte het; een hoeveelheid gedachtes en vragen doorstormden mijn ziel.

 

Ik keek op naar de lichtende sterrenhemel. Alsof ooit de aanblik van hetzelfde zo is, terwijl rondom diepe rust heerst, geschikt, om de mens een begrip van de almacht en kracht van God te geven; want dit gewemel van lichtende werelden, die in geordende banen hier intrekken, zonder zich te verwarren, zijn dringend sprekende getuigen van Zijn wijsheid en van Zijn kracht. Hoe klein voelt de ziel zich daar, hoe wordt ze doordrongen van het gevoel van de eigen nietigheid, erkent ze als stofje in de ruimte, en dan evenwel dringt haar het besef op, dat ze meer als niets moet zijn, omdat anders haar niet de aanleg gegeven was, het heelal met haar betekenissen te doordringen en de wetten van de Almachtige te erkennen.

 

Heb ik deze aanleg slechts gekregen, zodat het bewustzijn van mijn niets-zijn mij verbrijzelt en overlevert aan de wanhoop? Dan ben Je wreed, Schepper der wereld! Heb ik ze gekregen, daarmee Ik je enkel en alleen bewonder en aanbid in steeds diepere aanschouwen van Je almachtige kracht en ondoorgrondelijke onpeilbare wijsheid en uiteindelijk toch erken, dat ik niets en Jij alles bent, dan ben ik niets beter dan een machteloze, arme slaaf, die slechts door welwillendheid en geduld het genot van de onuitputtelijke schatten van de machtige Heer verkrijgt.

 

Wanneer kreeg ik dan dit brandende verlangen naar wijsheid, dit inzicht dat mij in staat stelt te beginnen om dit verlangen te stillen, deze geestelijke aanleg, die geen grens kent om het heelal te doordringen, deze gedachtewereld, die noch tijd noch ruimte kent, en ten slotte dit korte leven op een ellendige, misschien de ellendigste planeet van een zonnesysteem, dat toch slechts weer opnieuw het beschermingsgebied is van een hoger en machtiger systeem?

 

“God, U Die dit heelal beheerst en doordringt, ik vind niet de sleutel tot het doel van het bestaan en Uw heersen. Als niet hogere doelen U besturen, ‘en het worde!’ eruit knalt en naar buiten dondert in de eeuwigheid van de ruimte. Hogere doelen, die U misschien slechts versluiert, zodat de algemene mensheid ze niet ontheiligt, doch die U aan elk openbaren zult, die oprecht een verlangen daarnaar draagt om ze te onderscheiden.”

 

Deze woorden riep ik zacht en vol verlangen naar de sterrenhemel, en toen welde in mij de gedachte op, zó vurig en innig en toch zo vredesvol, zo gelukkig stemmend, het borrelde omhoog uit mijn binnenste hart, verwachtingsvol en uitkijkend.

 

Het was alsof nu meteen voor mij een lieve persoon moest verschijnen, ook al was het een voor mij totaal onbekende, die mij liefdevol en vreugdevol zou omhelzen om mij aan haar trouwe hart geborgen te voelen.

Voor mij gold niet meer om een vrouw met inspanning te verwerven en deze te omhelzen in het gevoel der liefde, nee, veel meer kostbaarder, hoger en reiner flitste het op in mijn diepste ziel en mijn lippen lispelden vurig: “Vader, lieve Vader!” Ik sprong op. Het trok mij voort, heen naar dat heiligdom, dat geheimzinnig door de golven van de zee werd omruist.

Met snelle voeten liep ik haastig langs de mij bekende weg en spoedig stond ik aan de oever van de in het maanlicht zilveren schuimende zee. Aan de overkant verhief zich het donkere eiland. In zijn binnenste verborg hij het doel, maar het water scheidde mij. Tot nu toe had ik niet eenmaal eraan gedacht, dat deze hindernis mij zou afhouden om het doel te bereiken – het verlangen, de verwachting liet mij elke belemmering vergeten, maar nu schrokken mijn voeten voor de kibbelende golven terug, die ze bevochtigden en tranen stegen mij in de ogen, toen ik de vervulling van mijn vurige wens zag mislukken.

 

Daar ruiste het weer zo geheimzinnig naar deze kant zoals toentertijd, als ik met Chorillus voor de eerste keer dit eiland aanschouwde. Een klinken en ver bruisen scheen uit het binnenste te weerklinken – het vormde zich tot luiten, tot woorden en duidelijk vernam ik: “Liefde overwint alles – ze kent geen belemmering, - maar geloof – geloof – geloof!”

 

En weer welde het in mijn hart vurig op en jubelend trok het door mijn geest: “Ja Vader, ik geloof U, ja ik geloof in U!” Ik keek slechts naar het eiland aan de overzijde – het water bekommerde mij niet meer – een stap voorwaarts – en opgetild voelde ik mij gedragen voortgezet. Ik betrad de tegenoverliggende bodem, betrad de onder de hoge bomen en palmen slingerende weg en stond weldra voor een marmeren tempel, wiens deuren wijd geopend waren. Zacht licht verlichtte het binnenste heiligdom. Niemand weerde mij de toegang.”


Epiloog

 

Mijn vertellende vriend had de laatste zinnen steeds zachter uitgesproken en staarde nu droomverloren in de leegte. Het gezelschap, dat klaarblijkelijk onder gemengde gevoelens naar zijn verhaal luisterde, werd uiteindelijk ongeduldig, toen hij geen neiging toonde zijn vertelling voort te zetten; van diverse kanten klonk hem een “Nu, en verder?” tegemoet.

Mijn vriend schrok op uit zijn gepeins en keek de vrager rustig aan. “Bent u deze geheimzinnige tempel binnengedrongen en wat vond u daar?” vroeg de professor. “Zeker deed ik dat, en ik vond het versluierde Isisbeeld, de waarheid!” “Dat is interessant. Mag men weten, hoe zich dit dan ontsluiert en tot zijn recht komt,” antwoordde de professor spottend.

Medelijdend zag Kristjan hem verder aan en antwoordde: “Deze aanblik heeft mij, zoals u ziet, niet vernietigd, wel echter verlicht. Het heeft mij het raadsel van het bestaan en het grootste geheim van God opgelost. U, waarde professor, kon echter weliswaar gevaar lopen om bij de onthulling van de sluier erg teleurgesteld te worden, want elk standbeeld mocht voor u niet eenmaal de waarde bezitten van het antieke!” “Oho, mijn beste, als u zo daarvan overtuigd bent, zo schuw niet uw ontdekking, ik zal erg objectief oordelen,” gaf de aangesprokene als antwoord.

 

“Nu goed, we zullen zien. Luister: ik heb in die tempel beseft, dat alleen de oneindige liefde van Gods Geest het universum geschapen heeft. Dat God oprecht van de mens houdt als een vader. Hij wenst, ja vraagt zelfs aan de mens om Hem weer lief te hebben zoals de vriendelijke Vader, en dat Hij Zijn kinderen alle eigen macht en kracht wil en zal geven, indien  het schepsel weer oprecht van Hem houdt, zodat het volmaakt wordt als de Vader.

Voor dit doel is Hem geen offer te groot, ja de Almachtige buigt Zich zelfs voor de nederige wil uit liefde voor haar schepsels. Ze verdraagt ook nu nog alles uit liefde en om de liefde op te wekken, schiep ze het heelal en al het levende, geeft ze de mensen een aards bestaan, voorziet hen van al het nodige met alle bekwaamheden die tot inzicht leiden. Kortom, God is de liefde, in Hem vinden we alles!” –

 

Teleurgesteld zei de professor en gelijktijdig de hoofdkoster: “Maar dat is toch een oeroude geschiedenis, die ons al lang bekend is.” Mijn vriend antwoordde: “Werkelijk, mijne heren?”

 

“Nu, ik zei toch meteen, dat mijn ontdekking niet eenmaal de waarde van het antieke voor u zou hebben. Als echter deze waarheid zo oeroud is, waarom laat u dan deze niet levendig worden in uw hart, zodat ze ook bruikbare vruchten doet ontstaan? – Ja, deze waarheid is oeroud, maar herkend werd ze tot nu toe nog niet. Alleen de woorden zijn gehoord geworden, zonder méér te zijn dan woorden, die uit letters zijn samengesteld.

Jullie onderzoeken de letters erg precies en verklaren in hoge mate intelligent, dat deze nu eenmaal zo samengesteld moeten zijn, en als ze anders gerangschikt zijn, dan misschien zelfs onzinnige woorden konden opbrengen. Daarom is het ook erg interessant te weten, hoezo juist zulke letters zich tot andere woorden en wel tot onzin laten beetnemen. De geest echter, die in de uiterlijke woorden schuilgaat, ziet en beseft haar niet, want de waarheid laat zich niet zomaar prijsgeven, maar deze moet verworven worden. De Godheid Zelf komt om deze sluier van het Isisbeeld op te heffen.

Probeert de mens dit echter eigenzinnig en met een schuldige bedoeling, zo vervalt hij in afgestomptheid, dwaasheid en stompzinnigheid. Jullie willen van mij weten, wat ik in het heiligdom anders nog te weten ben gekomen? Zoek eerst zelf ieder dal (diepte*) te verwerven en in dat heiligdom door te dringen, dat het innerlijkste en het geheimzinnigste van elk afgezonderde plaats bevat, om de stem van de Vader te vernemen. Maar doe het zoals ik. Schuw niet de weg door onvruchtbare woestijnen en steppen; laat alles achter, wat jullie nog aan mensen verbindt, laat jullie door het vertrouwen leiden en door de hoop, in het geval jullie vermoeid zijn. Jullie bereiken dan ieder gezegend oord der vrede, waar de mensenliefde priesterschap uitoefent.

* (vertaler)

Overwin de leeuw van de eigen wil, scheur uit je hart de begeerte en de lust en laat jullie dragen vol vast geloof, zelfs over de afgronden, die anders de zekere dood in zich verbergen. Zo bereiken jullie het heiligste en kostbaarste doel in de tempel van de Vader en kunnen nu, onbekommerd voor jullie leven de ontsluierde waarheid zien.

Lukt het jullie dan terug te komen, zo zal je uit de priesterhand de weer verworven onschuld ten deel vallen.”

 

Deze woorden maakten op de aanwezigen een heel merkwaardige indruk, over het algemeen zelfs een afstotende. De fysicus mompelde: “Heeft men ooit van zulk een nonsens gehoord?” De arts, tot wie zich de hebzuchtige familieleden voegden, schudde het hoofd, fronste het voorhoofd en drukte zich zachtjes uit met: ”Religieuze waanzin met beginnende grootwaan!”

 

De kerkkoster stond op en maakte aanstalten om weg te gaan, terwijl de overigen met domme gezichtsuitdrukking mijn vriend aanstaarde en klaarblijkelijk niet juist wisten, hoe ze zijn woorden moesten opvatten. Uiteindelijk verhieven zich allen, en de industriedirecteur meende verachtelijk: “Eh, U hebt ons daar dus wat mooi wijsgemaakt met uw dwaze geschiedenis. Ik had nooit geloofd, dat een man als u zo enorm kon liegen. Ik dank u echter voor verdere dergelijke schertsen!”

 

Alle aanwezigen keerden zich nu tot de deur, om het huis te verlaten, als mijn vriend met luide stem riep: “Nog één ogenblik. Als ik uit die tempel terugkeerde, waar ik de heiligste waarheid vernomen en herkend heb, toen brandde in mijn hart het vurige verlangen, om ook mijn stamfamilie mijn inzicht over te brengen en door het verworven geluk deze mededeling te doen. Ik uitte Chorillus de wens om terug te keren en een verkondiger van mijn ervaringen te worden. Toen raadde hij me af en sprak: <Je zult geen geloof vinden. Men zal je in het gezicht uitlachen en je bespotten. Predik jij je waarheid, zo zal men ze voor een leugen houden. Want alleen die rein van hart is, stoot zich niet aan haar waarheid. Alleen wie de ademtocht van de Godheid bespeurt en op haar zachte weeën acht, kan inzicht verwerven. Probeer echter, of je open oren vindt en keer dan met de nieuwe ervaring tot ons terug. Wanhoop echter niet, wanneer je ervaringen verwerpelijk zullen zijn, want of hier in onze dalen, of ergens anders op een of ander afgelegen plaats op Aarde, wie daar de tempel van de Vader zoekt, is in staat hem overal te vinden. Alleen zal helaas het voor de hand liggende het minst geëerd worden. Allen, die zich daar verenigen in de liefde tot de Vader, zijn ook met ons verbonden en zijn onbewuste dalbewoners, onze broeders!> – “Ik zie, Chorillus heeft waar gesproken, en zo gaat jullie je wegen, ik ga mijn weg.” –

 

“Hoe moeten wij deze dwaasheid nog langer aanhoren,” zei opzettelijk luid de familie, nam de arts in hun midden en ging ijverig en zacht redetwistend naar buiten. De overigen volgden hen en spoedig waren de verlichte kamerruimtes leeg tot op ons beide na.

 

Ik greep de hand van mijn vriend en vroeg bezorgd: “Wat zul jij doen? Deze en gene broeden bedenkelijke plannen uit!” “Heb geen vrees om mij,” antwoordde hij. “Ik ben beschermd tegen alle aanslagen. Maar wie ben jij gezind: ik geloof je en erken de waarheid van je woorden. Wil je me volgen?”

“Waarheen?”

“Naar Chorillus!”

“Je weet, ik heb hier dierbare ouders; ik mag ze niet verlaten, en zei Chorillus niet, óveral kan men een dalbewoner worden?”

 

Mijn vriend drukte mij de hand en zweeg. We gingen van elkaar uiteen. Een paar dagen later wilde ik hem bezoeken, maar het huis was toen door hem verlaten.

Mijn vriend had alles aan een vreemde familie verkocht en al op de dag na die merkwaardige avond zich verwijderd uit de stad zonder afscheid. Niemand weet, waarheen hij zich heeft gewend.