De twaalf celzouten

Biozouten zijn een uitvinding van de Duitse arts dr. med. W. Heinrich Schlüssler (1821-1898) uit het Duitse stadje Bad Zwischenahn, in het toenmalige Groothertogdom van de stad Oldenburg. In 1872 opende hij zijn praktijk als homeopathisch arts. Hij stelde dat het leven van planten afhankelijk is van bepaalde mineraalzouten op de voedingsbodem. Zijn biochemische hypothese stoelt niet op de gangbare homeopathie, maar op de levensnoodzakelijke mineraalzouten, die normaliter ook in het menselijke lichaam moeten voorkomen. Hij was van mening dat ziekte vaak gepaard gaat met een gebrek aan één of meerdere mineraalzouten.

 

Schüßler ontdekte de twaalf lichaamszouten. Zijn methode boekte grote vooruitgang. De mineraalzouten werken volgens de homeopathische methode als gefixeerde katalysatoren met bepaalde biochemische reacties. Later zag een andere arts, dr. G.W. Carey een verband tussen de onderlinge middelen met de jaargetijden en het type mens. Hij had redenen om aan te nemen, dat in elk seizoen een zout beter op het lichaam inwerkt, zoals levertraan beter in de winter werkt. Volgens Carey kan men gebrek hebben aan een eigen individueel ‘geboortezout’. De mineraalzouten hebben een prijsgunstige therapiemethode. Het is een systeem dat te overzien is. De verdraagzaamheid is uitstekend en de werkzaamheid hoog. Eenmaal per week één dosis van het ‘geboortezout’ zou al voldoende zijn zichzelf fit te houden.

 

De biochemicus Wilhelm Schüssler bedacht destijds een uniek biologisch systeem ter bevordering van de lichamelijke celopbouw en conditieverbetering. Een prachtige methode. Het lichaam kan slechts optimaal functioneren wanneer in alle cellen de levensnoodzakelijke stoffen in de juiste hoeveelheden en de juiste verhoudingen aanwezig zijn. Bij gebrek hieraan leidt dit tot functiestoornissen van cellen en weefsels. Dan kan de conditie geleidelijk achteruit gaan en symptomen openbaren zich. Artsen en therapeuten nemen dikwijls het ‘individuele voedingszout´ mee in hun behandelingsplan, omdat het passende voedingszout als belangrijk constitutiemiddel aanvullend kan bijdragen een ziek gestel weer optimaal te doen laten functioneren.

 

Mineralen uit aarde en lucht

Bij het ouder worden zal er meer aanspraak gemaakt worden op de mineraalhuishouding. Mineralen zijn noodzakelijke ‘lichaamszouten’ die zich in menselijke cellen ophouden. In de natuur ontstaan en verdwijnen er mineralen. Dit zijn bijvoorbeeld de hoogste topjes van de bergen, die door de tand des tijd aan slijtage onderhevig zijn. Steenkolen in de grond is te danken aan de humus van kolossale bomen uit de oertijd, die wel duizend jaar trotseerden en waar wij nu nog gedeeltelijk van profiteren. Steenkool zijn ook mineralen. Zelfs een zandkorrel kunnen we beschouwen als een van de eenvoudigste soorten onder de mineralen. Onder de microscoop geeft een zandkorrel veelsoortige kristallen weer. Zulke vormen in een zandkorrel zijn louter een verzameling van de kleinste infusiebeestjes, nog kleiner, dan zij in een waterdruppel worden aangetroffen. Deze atomistische beestjes leven van de kleinste infusiemicroben.

 

Het ontstaan van mineralen en de groei van planten zijn afhankelijk van gassen of luchtsoorten, die onze etheratmosfeer voorradig heeft. Elke plant heeft een bepaalde mineraalhuishouding en zuigt haar eigen luchtsoort op. Vandaar dat elke plant haar eigen gestalte kent, haar eigen smaak en geur heeft. Er bestaan vele luchtsoorten, waarvan wij nog maar weinig weet hebben. In de minerale gesteldheid is veel leven, zelfs in stenen en metalen. We kunnen het alleen niet waarnemen. Feitelijk behoren planten en mineralen tot het dierenrijk, omdat elk mineraal uit infusorische diersoorten bestaat. IJzer heeft een bepaalde hoeveelheid specifica nodig, dat uit het binnenste van de aarde opstijgt. Het heeft een zwaartekracht en een zekere aantrekkingskracht. Alle mineralen, ook ijzer als metaal, hebben siderische eigenschappen, omdat deze ontstaan door de instraling van sterren en zeewater. In mineralen bevinden zich verhoudingsgewijs minder levende diertjes (intelligenties) dan in planten, waar zulke hoeveelheden aanzienlijk groter zijn.

Onze lucht is eigenlijk een zoute luchtatmosfeer. Zij bevat zeer veel gassen en zuurstoffen, waarop al onze grondstoffen zijn gebaseerd. Elke plant bevat in meer of mindere mate een bepaalde hoeveelheid mineralen. Planten zuigen naar hun aard een specifieke grondstof uit de lucht. Ze nemen datgene op wat met hun natuur overeenkomt. De verschijningsvormen van dieren en planten hebben te maken met voedsel in de atmosferische lucht- de lucht die wij ook inademen – en die geleidelijk van consistentie veranderen kan. De geleidelijke consistente verschuivingen in de luchtsoorten kunnen ziektes onder de mensen, de dieren en de planten veranderen. Nieuwe kwalen kunnen lijken op ziektes van vroeger, maar deze reageren niet altijd op gelijke medicijnbehandelingen, die vroeger werden toegepast. De grondstoffen in de ether kunnen van tijd tot tijd veranderen en deze verschuiving kan variëren van tien tot honderd jaar of langer.

Een geoefende genezer kan met één blik aflezen aan welk voedingszout men eventueel gebrek heeft. Ontbrekende mineraalstoffen laten sporen na. De mineraaltherapie bewijst bij acute en chronische kwalen haar diensten. In sommige gevallen werkt zij al na enkele uren. Bij chronische gewrichtskwalen kan de behandeling wel drie maanden of zelfs langer duren. De therapie is zonder bijverschijnselen toepasbaar naast reguliere middelen. Door de homeopathische verdunning worden de mineraalzouten beter opgenomen in de lichaamscellen. Elk mineraalzout staat voor een bepaalde stofwisselingsfunctie.

De grootste concentratie van mineralen ligt in de Zuidpool verborgen, een uiterst gevaarlijk en niet toegankelijk gebied. Talloze fijne mineraalkanalen lopen van de Zuidpool naar de Noordpool. Het noordelijke gedeelte van de Aarde bevat meer ijzer, het zuiden meer platina (en koper). Dit grote mineraalkanaal vormt een elektrisch magnetisch fluïdum over de hele Aarde. Dit geldt ook voor de mens als microkosmisch wezen. Als iemand een tekort aan ‘zouten’ of mineralen heeft, dan is zijn polaire gesteldheid zwak. Hoe meer tekort, hoe zwakker zijn fysieke uitstraling. Ook gewoon zout is een mineraal. Zout heeft de eigenschap van verleden, heden en toekomst. Het conserveert (houdt vast), consumeert (geeft smaak) en vegeteert (geeft kracht). In zout bevinden zich belangrijke mineralen, die voor het menselijke organisme noodzakelijk zijn. Zweet, urine, bloed en zeewater en onze lucht zijn zout. De cellen in ons lichaam zijn voorzien van meerdere zouten.

Bron: (Aarde & Maan, Jakob Lorber                                                            ©             www.natuurarts.info